Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Haar

betekenis & definitie

Het begrip haar heeft 7 verschillende betekenissen:

1. haar - HAAR, p.rs. vnw., v. enk. en mv., 3de en 4de n.: zeg het haar; hij gaf haar een kus (aan haar); ik zie haar; roep haar; zie ZIJ.

2. haar - HAAR, bez. vnw., v. enk. en mv.
HARE haar vader, haar kind, hare zuster; zij heeft haren man verloren; dit zijn hare bloemen;
— de haren, haar man en kinderen; (ook) haar familieleden;
— zij doet het hare, al waartoe zij verplicht is, alles wat zij doen kan.

3. haar - HAAR, o. de fijne, buigzame, in de lederhuid gewortelde buisjes, die het lichaam van menschen en dieren bedekken fijn haar, grof haar, haar van meerdere of mindere dikte; zacht haar; lang haar;
— iets met huid en haar opeten, verslinden, geheel en al; het haar (de kleur van het haar) heeft invloed op de schoonheid en waarde van het paard; (jag.) haar en veeren, viervoetig wild en gevogelte:
— haar of pluimen van iets willen hebben, (fig.) willen weten hoe de zaak staat, in elkaar zit;
— haar op de tanden hebben, niet vervaard zijn, van zich af durven spreken;
— (van menschen inz.) het hoofdhaar: hij heeft rood haar; zijn haar is grijs {bruin, blond enz.); hij zit goed in zijn haar, heeft een mooi hoofd met haar, veel haar;
— zijn haar laten knippen (of snijden), het doen korten;
— het haar opmaken, zich kappen; bloemen in ’t haar steken;
— zich de haren uit het hoofd rukken, vol spijt zijn, wanhopig zijn;
— met de handen in ’t haar zitten, niet weten wat te doen; iem. in het haar vliegen, hem aanvliegen; iem. in het haar zitten, met hem twisten; iem. het haar uit zijn kale kruin trekken, hem het vel over de ooren halen, (ook) hem uitzuigen;
— pijn in ´t haar hebben, katterig zijn;
— (ook) eene hoeveelheid afgesneden hoofdhaar: een pond haar; de handel in haar;
— dood haar, haar dat niet van een levend hoofd is afgenomen, maar van een lijk;
— valsch haar, haar van een ander dat men op het hoofd bevestigt (in tegenst. met eigen haar);

— , (haren), een afzonderlijke haarvezel: zoo fijn als een haar, zeer fijn; zich een haar uittrekken;

er is een haar in de soep, (ook fig.) een haar in de boter zoeken of vinden, redenen zoeken om te vitten of twist te maken; zorg maakt grijze haren, zorgen verouderen den mensch vroegtijdig;
— ik heb zooveel berouw, spijt als haren op mijn hoofd;
— zij liep met loshangende haren;
— (ZuidD.) rood worden tot in zijn hoor, zeer beschaamd zijn;
— zijn hoed op één haartje (of op zeven haartjes) dragen, los, zwierig, scheef op het hoofd dragen, (ook) een weinig loszinnig zijn;
— wilde haren, (eig.) haren die groeien op eene plaats waar ze niet hooren (b. v. in neus en ooren): wild haar in den neus hebben, (fig.) moeilijk te regeeren zijn; als hij ouder wordt, zullen de wilde haren wel uitvallen, zal hij wel bezadigder worden, zijn jeugdige loszinnigheid laten varen;
— een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken, slechte eigenschappen hebben een taai leven;
— er zitten vreemde haren in dien jongen, vreemde streken; gekrulde haren, gekrulde zinnen, gezegde om een vooroordeel tegen krulhaar uit te spreken;
— (Zuidn.) grijze haren van iets krijgen, er zeer door gekweld worden
— mijn haren rezen te berge, gingen rechtop staan (van schrik, van angst enz.);
— iets met de haren er bij sleepen (of trekken), iets met geweld, op gezochte wijze er bij te pas brengen (b. v. in een gesprek';
— iets op haren en snaren zetten. niets onbeproefd laten, alle zeilen bijzetten om zijn doel te bereiken, zijn zin te krijgen;
— (Zuidn.) Fransch spreken met een haar, slecht Fransch spreken;
— een haar, een kleinigheid, nagenoeg niets: het scheelde maar een haar, of hij was over boord gevallen;
— op een haar, nauwkeurig, volkomen: iets op een haardje) weten, op een prik, haarfijn; zij gelijken elkaar op een haar;
— geen haar, niet één enkel haar geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt, ik denk er volstrekt niet aan; iemand geen haar krenken, hem volstrekt geen leed of schade doen; geen verkeerd haar hebben, door en door goed zijn; er is geen haar goed aan, er deugt niets van, hij deugt in het geheel niet;
— geen haar, niets hij is een deugniet, maar zijn broer is geen haar beter; ik geloof er geen haar van, ex is geen haar van aan, er is niets van waar;
— eene doodelijke varkensziekte waarbij haar in de keel groeit, dat het slikken belemmert en later geheel verhindert;
— het haar van een vilten hoed;
— (plantk.) de op haren gelijkende aanhangsels op de opperhuid van planten met haren begroeide bladen en stengels; (ook) de haarvormige vezels aan de wortels der boomen;
— (oliesl.) de uit paardenhaar vervaardigde omslagen, waartusschen de met lijnmeel gevulde builen worden geperst, zoodat de olie er uit loopt en het meel tot koeken wordt samengedrukt;
— zeef met paardenharen doek (voor melk).

4. haar - HAAR, o. eene soort van taai gras (trichodium caninum); het roode haar, een roodachtig fijn watergewas.

5. haar - HAAR, v. (gew.) hooge, midden in het veld liggende kamp bouwland.

6. haar - HAAR, v. en o. (haren), (landb.) haarspit.

7. haar - HAAR, bw. zie HOT (1ste art.).
HAARACHTIG, bn. naar haar gelijkende, harig.
HAARBAL, m. (-len), een. bal van haar in de maag van herkauwende dieren;
...BAND, m. (-en), band om het haar gebonden; lint dat in de haren gevlochten wordt; bandvormig versiersel om de baren, haarwrong; (veroud.) (ontl.) de straalvormige band van het adervlies (van het oog);
...BARSTJE, o. (-e), haarscheurtje;
...BEKLEEDING, v. (zeew.) een vermenging van dierenhaar met teer, papier enz. die men op de romp van een schip aanbrengt tusschen de buitenhuid en de houten dubbeling;
...BEZEM, m. (-s), een bezem, van haar vervaardigd;
...BLES, v. (-sen), een vlok haar op het voorhoofd;
...BORSTEL, m. (-s), schuier met handvat om het hoofdhaar uit te borstelen;
...BOOM. m. (-en), boom. balk waarop de leerlooiers de huiden van het haar ontdoen;
...BOS, m. (-sen), bos haren; (ook van dicht hoofdhaar) wat heeft hij een haarbos op zijn hoofd.