Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Werken

betekenis & definitie

Het begrip werken heeft 2 verschillende betekenissen:

1. werken - WERKEN - 1. WERKEN, (werkte, heeft gewerkt), (ook, doch alleen Zuidn. en in hoogeren stijl: wrocht, heeft gewrocht), doen, verrichten, (iets) maken, (iets) teweegbrengen, arbeiden : vlijtig, onvermoeid, doelloos werken; hij werkt als een paard, zeer hard en onvermoeid ; (spr.) die niet werkt, die zal niet eten, arbeid is noodig voor het dagelijksch brood ;
— die koorddanseres werkt keurig;
— (gym.) werken aan de ringen, in de brug, daar gymnastische oefeningen maken ;
— bij welken kleermaker laat gij werken ? uw goed maken ;
— bij een baas werken, als werkman in dienst zijn ; voor de school werken; hij werkt voor Duitsch, studeert voor eene Duitsche akte;
— in pleister werken, boetseeren;
— naar een model werken, dit navolgen; elkander in de hand werken;
— uitwerking hebben : dat geneesmiddel werkt niet;
— krimpen, zwellen, scheuren en draaien (van gesneden hout);
— gisten: het bier begint, te werken;
— (van plantengewassen) kiemen, knoppen, uitloopen: de boomen werken al;
— (zeew.) het schip werkt, zijne deelen wrijven hoorbaar tegen elkander (ten gevolge van de beweging der zee) ;
— (fig.) op iem. werken, zijn invloed op iem. trachten aan te wenden. WERKING, v. (-en), het werken; uitwerking, gevolg: dat bleef buiten werking; de wet treedt 1 Jan. in werking, zal van 1 Jan. af van kracht zijn; eene machine in werking stellen ;
— invloed.

2. werken - WERKEN, onverb. bn. van werk: werken deken, werken dot.