Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heilig

betekenis & definitie

HEILIG, bn. bw. (-er, -st), het ware zieleheil gevonden hebbende, deel hebbende aan God, geestelijk volmaakt, onzondig: de heilige martelaren; een heilig man;

— (van God en Christus) de Heilige God; Heilige Vader; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest;
— (van hen die na hun dood zijn heilig verklaard, gecanoniseerd) de Heilige Augustinus; de Heilige Cecilia;
— om God en ai zijne heiligen roepen, misbaar maken, jammerlijk roepen en kermen
— (van alles wat met den dienst van God in verband staat, of wat van God of zijn Heiligen wordt gezegd) de Heilige kerk; het Heilig Avondmaal; het Heilig Ambt, de predikdienst; de Heilige Schrift, de Bijbel; Gods Heilige naam; het Heilig Hart van Jezus; het Heilige land, Palestina; de Heilige stad, Jeruzalem; het Heilige graf, de plaats waar Jezus zou begraven zijn; de Heilige Stoel, de zetel van den Paus, het Pauselijk gezag; de Heilige Vader, de Paus;
— (R. K.) het heilig officie, de Romeinsche congregatie der inquisitie die waakt over de zuiverheid der geloofsleer;
— een heilige dag, feestdag die als Zondag te vieren is;
— het heilig getal, het getal zeven;
— de Zondag moet heilig worden gehouden, voor den dienst des Heeren worden afgezonderd
— (gew.) ’s avonds om zeven uur is het heilig, is het werken gedaan; morgen heb ik heilig, ben ik klaar met het werk; morgen hebben we heilig, hebben wij vrijaf;
— een heilig huisje, kapelletje hij doet alle heilige huisjes aan, (fig.) hij gaat geen herberg voorbij zonder er binnen te treden;
— het heilige der heiligen, een gedeelte van den tempel van Salomo, dat de Hoogepriester slechts eenmaal ’s jaars betrad, (fig.) een vertrek dat in hooge eere gehouden wordt, waar niet iedereen wordt toegelaten;
— (ook van zaken die op de heidensche godsvereering betrekking hebben) de heilige bosschen der Germanen;
— vroom, godsvruchtig: een heilig leven leiden; een opziener (bisschop) moet zijn ingetogen, rechtvaardig, heilig, kuisch;
— zij zijn niet allen heilig, die veel ter kerk gaan;
— hij is geen heilig boontje, hij is lang niet braaf, heeft nogal veel op zijn kerfstok;
— heilige onnoozelheid, kinderlijk vrome onschuld;
— hij is een deugniet, maar nog heilig bij zijn broeder, in vergelijking met zijn broeder is hij nog heilig, hij steekt nog gunstig bij hem af;
— het weer is slecht vandaag, maar het is nog heilig bij gisteren, in vergelijking met dat van gisteren is het nog goed te noemen;
— ernstig, werkelijk gemeend heilige voornemens; het is mij heilige ernst; ik was in de heilige overtuiging, dat hij nog leefde, meende vast dat hij nog in leven was;
— (van alles wat eerbied wekt of met eerbied wordt genoemd) eene heilige stilte, eerbiedwekkend, plechtig; eene heilige plaats, die men met eerbied betreedt; hij zwoer bij alles wat hem heilig was; hem is niets heilig, hij heeft nergens eerbied voor, hij ontziet niets;
— het Heilige Roomsche rijk, de officiële naam van het Duitsche Rijk (962 —1806);
— heilige rechten op iem. hebben, een onschendbaar recht;
— heilige plichten, dure plichten;
— de heilige plicht der dankbaarheid;
— dit blijve heilig onder ons, niemand mag er iets van weten;
— het heilige moeten, schertsend gezegd om het onvermijdelijke van het moeten aan te duiden als het heilige moeten er bij komt, zal hij wel aan het werk gaan, als hij het doen moet omdat de honger of eene andere noodzakelijkheid hem ertoe dwingt;
— oprecht, stellig: in heilige verontwaardiging; hij is in de heilige overtuiging;
bw. op reine, deugdzame, godsvruchtige wijze het gaat op onze dorpen lang niet heilig toe; de nagedachtenis harer moeder bewaarde zij heilig;
— heilig met iets doen, als iets heel bijzonders behandelen (door het niet te laten zien, niet uit te leenen enz.);
— ernstig, plechtig: ik heb het mij heilig voorgenomen; ik verzeker je heilig, dat het waar is,
— vast, zeker hij zal het heilig doen; ge kunt er heilig op aan.