Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kind

betekenis & definitie

KIND, o. (-eren, -ers), de mensch in zijne kindsheid hij houdt veel van kinderen; toen ik een kind was, sprak ik als een kind;

— (spr.) kinderen en gekken (of dronken menschen) zeggen de waarheid;
— is de man een kind geworden ?, als sarcastische aansporing om iets te doen;
— een kind om eene boodschap sturen, (in het kaartsp.) eene kleine troef spelen, om hooge troeven er uit te halen;
— dat kan een kind wel begrijpen, dat is toch zeer duidelijk;
— (fig.) van personen, die de eigenschappen van een kind bezitten hij is er maar een kind bij, hij is veel kleiner, (fig.) verreweg de mindere;
— onschuldig, onervaren; onwetend: laten wij kinderen in de boosheid blijven !;
— ik ben geen kind, niet onnoozel;
— hij is geen kind meer, reeds tot jaren van onderscheid gekomen;
— hij is een groot kind, handelt nog als een kind;
— gij zijt nog net zoo’n kind, erg kinderachtig;
— met betrekking tot de geboorte, het kind voor of kort na de geboorte een kind onder ’t hart dragen;
— (plat) een meisje met kind maken, haar bezwangeren;
— van een kind bevallen; in kindertaal ook; een kindje koopen, gekocht hebben; een kind halen, bij de geboorte bijstand verleenen;
— (gew.) dat kind is zwaar gehaald, die zaak is met groote moeite tot stand gekomen;
— een doodgeboren kind, (fig.) eene zaak die van het begin af aan op niets moest uitloopen;
— een kind doopen; het kind moet toch een naam hebben;
— noem het kind maar bij zijn naam, zeg het maar, zonder er doekjes om te winden;
— met betrekking tot de ouders, zoon of dochter, zonder op den leeftijd te letten hij heeft een heel huisgezin met kinders; hij heeft al kinderen, die gehuwd zijn; op zijn ouden dag werd hij door zijne kinderen onderhouden; tot, als eigen kind aannemen; hij is er als kind in huis;
— (spr.) kinderen zijn een zegen des Heeren, maar ze houden de nopjes van de kleeren, de opvoeding, het grootbrengen van kinderen kost veel geld;
— een goed kind, dat naar zijn vader aardt;
— hij heeft kind noch kraai, behoeft alleen voor zichzelven te zorgen
— als liefdevolle, vaderlijke aanspreking tot jongere personen, liefkoozingswoord neen, mijn kind !; arm kind, wie heeft u iets gedaan ?
— zoo inz. tot een meisje, als vleiende aanspreking; zeg, lief kind (bijv. tot een dienstmeisje) is mijnheer thuis ?
— meisje, jongedochter: een aardig kind van achttien jaar; het lieve kind was wel waard dien berg van domme idees (van haren papa) te slikken;
— bij uitbreiding afstammeling, spruit: de kinderen Israëls, het Joodsche volk;
— (ook) voortbrengsel: de bloemen, de kinderen der lente;
— bijgeloof, dat kind der domheid;
— zijne papieren kinderen, de boeken enz. die hij geschreven heeft;
— vooral om eene betrekking van afhankelijkheid, een toebehooren aan enz. uit te drukken ’s lands kinderen; hij, een kind des volks; de kinderen dezer wereld;
— de kinderen des lichts, der duisternis, die in het licht, in de duisternis leven;
— de kinderen Gods, alle menschen (daar God ons aller vader is), de geloovigen;
— gij zijt een kind des doods, als gij dat doet, gij zult sterven;
— hij is het kind van de rekening, hij moet er voor boeten, hij delft het onderspit. KINDJE, o. (kindertjes, -s), een klein kind een lief kindje. KINDEKE, KINDEKEN, o. (-s), inz. van het kind Jezus: de Moedermaagd met het Kindeke.