Wat is de betekenis van Haar?

2024-02-21
Encyclopedie van de evolutiebiologie

Prof. Nico M. van Straalen (2019)

Haar

Kenmerkende lichaamsbedekking van zoogdieren die bij veel soorten sterk ontwikkeld is als een vacht (roofdieren, hoefdieren, knaagdieren) maar bij andere nauwelijks aanwezig is (olifanten, nijlpaarden, walvissen en de mens) Haar is gemaakt van keratine, evenals de veren van vogels en de schubben van reptielen. Het ontwikkelingsprogramma dat bij ons...

2024-02-21
Bijbels Lexicon

Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart (2017)

Haar

Hem zal geen haar (op het hoofd) gekrenkt worden, hem zal niet de minste lichamelijke of geestelijke schade toegebracht worden. Ook: Iemand geen haar krenken, iemand in geen enkel opzicht schaden. Een haar is een uiterst nietig deel van het menselijk lichaam, en geen haar staat in bijbels en niet-bijbels taalgebruik dan ook voor ‘niet het minste d...

2024-02-21
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

haar

haar - zelfstandig naamwoord 1. fijne, buigzame vezels op huid van mensen en dieren ♢ mijn vriend heeft blond haar 1. elkaar in de haren vliegen [beginnen te vechten] 2. dat sch...

2024-02-21
Dokterswoordenboek

Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt (2010)

haar

1) Eén afzonderlijke haarvezel; 2) de haardos op je hoofd. Als het om één haar gaat, spreek je van ‘de haar’. Als het om veel haren tegelijk gaat, spreek je van ‘het haar’. Meestal wordt met ‘het haar’ de haardos op je hoofd bedoeld, hoewel het natuurlijk evengoed kan gaan om de haren op de rest van je lichaam. Haren zitten namelijk overal, al zijn...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-21
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

haar

- iemand van haar noch pluim(en) kennen, helemaal niet kennen. Ter voorbereiding maak ik kennis met drie mensen, die ik voordien van haar noch pluim kende. - FET, 11-12-2002. - Frans met haar op, erbarmelijk, slecht, stuntelig Frans. Kijk eens in de politiek. Wat minister Tavernier bijvoorbeeld spreekt, dat is ook Frans met haar op,...

2024-02-21
Funerair Lexicon

H.L.Kok (2002)

Haar

Aan haar wordt vanouds een bijzondere kracht toegekend. Beroemd is het verhaal van Samson, die door verraad van Delila zijn haren en daarmede zijn kracht verloor. Toen zijn haren weer waren aangegroeid, kwam zijn kracht terug.' Bij de Germanen werd echtbreuk van de vrouw o.a. bestraft door het afknippen van haar haren. Bij het overlijden van haar e...

2024-02-21
Molenwoordenboek

B.D. Poppen (2000)

Haar

Zak gemaakt van roshaar, waarin de buul wordt gelegd – in een oliemolen.

2024-02-21
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

haar

In de oorspronkelijke eedformule bij Gods haar worden Goden diens haar tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik ervan maakt haar tot een vloek en later tot uitroep. Een verzachte vorm van de verwensing breek je nek! is breek een haar! Vaak komt ze niet voor. Van Eijk (1978: 80) kent...

2024-02-21
Prisma van de symbolen

Hans Biedermann (1992)

haar

bijvoorbeeld bij de bijbelse held Simson (Richteren 13: 24) zetel van diens kracht. In Numeri 6 mag iemand die zich met een ‘nazireeërgelofte’ aan God wijdt niet alleen geen wijn drinken en niet bij een dode komen, maar ook zal er ‘geen scheermes aan zijn hoofd komen; ... totdat de tijd, voor welken hij zich aan den Here gewi...

2024-02-21
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

haar

haar - De vezelachtige uitgroeiïngen op de huid van allerlei dieren, die bestaan uit het eiwit keratine en onder andere worden gebruikt voor het maken van stoffen, als opvulling en voor het maken van kwasten en borstels.

2024-02-21
Droom lexicon

G. Senger (1985)

Haar

Haar is zuiver natuur en moet daarom verzorgd en onderhouden worden. Het ‘ferm-mannelijke’ en het ‘meisjesachtig-vrouwelijke’ moeten beteugeld worden, geknipt, in fatsoen gebracht en gevormd. De ongebreidelde natuur moet zich onderwerpen aan beschavingsvormen. In de droom is de beharing het zichtbare aspect van uw driftmatig...

2024-02-21
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

haar

In versch. verb. die in de standaardt. niet voorkomen: met, bij zijn haar (de haren) getrokken (gesleurd), merkwaardig voorgesteld, op gezochte wijze (bij een onderwerp) te pas gebracht, ver gezocht; in de standaardt.: met de haren erbij gesleept; - geen haar op mijn vel dat eraan denkt e.d.; geen haar op mijn hoofd; - geen haar op...

2024-02-21
Biologische encyclopedie

G. Th. van Kempen (1974)

haar

verhoornde uitgroeiingen van de huid, ontstaan uit epitheelcellen, bij alle zoogdieren aanwezig, soms slechts enkele haren (bij walvissen). De wortels liggen in een instulping van de kiemlaag in de lederhuid. Het deel er boven is de haarschacht. Een haar groeit vanuit de kiem en wordt gevoed vanuit de haarpapil, waarin zich haarvaten bevinden. Talg...

2024-02-21
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

haar

zn.: zie goed, slecht, hoog (3), plat haar.

2024-02-21
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

haar

hare, fyn veseltjie op kop en aan liggaam; regter-; regs; betreffende die vrou.

2024-02-21
Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Uitgeversmaatschappij A. Manteau N.V. (1954)

Haar

capillus, een bijzondere differentiatie van de huid waarbij in een speciale instulping (haarzakje) een zodanig veranderde celgroei en verhoorning plaats vindt, dat een haarwortel gevormd wordt, welke als haar schacht omhoog groeit. Behalve bij albinisme of bij ouderdom worden de verhoornde cellen van het haar rijkelijk van pigment voorzien, terwijl...

2024-02-21
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Haar

1. (dierk.) H. wordt gevormd door de opperhuid op de grens van opperhuid en lederhuid en beschermt de zoogdieren tegen ongunstig weer. De h. liggen in een buis, de haarschede, die onderaan iets verdikt is en de haarpapil bevat (z. lig. bij Huid). Het geheel wordt ook wel als haarzakje aangeduid. Van uit de haarpapil groeit de h., die al spoedig ver...

2024-02-21
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Haar

1. s.n., hier (it), pl. h i e r r e n; — op rug van varken, boarstels, pl.; iem. in hetzitten, immen yn ’e faksen sitte, ride; elkaar in hetzitten, it meiinoar yn ’t jern hawwe, inoar yn ’t jern hingje, sitte, meiïnoar omhottefylje; om iets met de han...

2024-02-21
Duits woordenboek (DU-NL)

Dr. H. W. J. Kroes (1951)

Haar

1. haar; vlok, haarpluis; Haare lassen, een veer laten; nicht ein Haar, geen zier; er hat doch ein Haar darin gefunden, hij heeft ’t toch vervelend gevonden; auf ein Haar, aufs Haar genau, precies, op de kop af; um ein op een haar na, bijna; darüber lasse ich mir keine grauen Haare wachsen, daar trek ik me niets van aan; sich in den Haar...

2024-02-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Haar

o. (...haren).