Wat is de betekenis van Haar?

2018
2022-10-06
Nico M. van Straalen

Em. Professor of Animal Ecology

Haar

Kenmerkende lichaamsbedekking van zoogdieren die bij veel soorten sterk ontwikkeld is als een vacht (roofdieren, hoefdieren, knaagdieren) maar bij andere nauwelijks aanwezig is (olifanten, nijlpaarden, walvissen en de mens) Haar is gemaakt van keratine, evenals de veren van vogels en de schubben van reptielen. Het ontwikkelingsprogramma dat bij ons...

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

haar

haar - zelfstandig naamwoord 1. fijne, buigzame vezels op huid van mensen en dieren ♢ mijn vriend heeft blond haar 1. elkaar in de haren vliegen [beginnen te vechten] 2. dat sch...

Lees verder
2017
2022-10-06
B.D. Poppen

Schrijver op Ensie

Haar

Zak gemaakt van roshaar, waarin de buul wordt gelegd – in een oliemolen.

2010
2022-10-06
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

haar

1) Eén afzonderlijke haarvezel; 2) de haardos op je hoofd. Als het om één haar gaat, spreek je van ‘de haar’. Als het om veel haren tegelijk gaat, spreek je van ‘het haar’. Meestal wordt met ‘het haar’ de haardos op je hoofd bedoeld, hoewel het natuurlijk evengoed kan gaan om de haren op de rest van je lichaam. Haren zitten namelijk overal, al zijn...

Lees verder
2004
2022-10-06
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

haar

- iemand van haar noch pluim(en) kennen, helemaal niet kennen. Ter voorbereiding maak ik kennis met drie mensen, die ik voordien van haar noch pluim kende. - FET, 11-12-2002. - Frans met haar op, erbarmelijk, slecht, stuntelig Frans. Kijk eens in de politiek. Wat minister Tavernier bijvoorbeeld spreekt, dat is ook Frans met haar op,...

Lees verder
2002
2022-10-06
Funerair Lexicon

Encyclopedisch woordenboek over de dood (2002)

Haar

Aan haar wordt vanouds een bijzondere kracht toegekend. Beroemd is het verhaal van Samson, die door verraad van Delila zijn haren en daarmede zijn kracht verloor. Toen zijn haren weer waren aangegroeid, kwam zijn kracht terug.' Bij de Germanen werd echtbreuk van de vrouw o.a. bestraft door het afknippen van haar haren. Bij het overlijden van haar e...

Lees verder
2000
2022-10-06
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Haar

Hem zal geen haar (op het hoofd) gekrenkt worden, hem zal niet de minste lichamelijke of geestelijke schade toegebracht worden. Ook: Iemand geen haar krenken, iemand in geen enkel opzicht schaden. Een haar is een uiterst nietig deel van het menselijk lichaam, en geen haar staat in bijbels en niet-bijbels taalgebruik dan ook voor ‘niet het minste d...

Lees verder
1997
2022-10-06
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

haar

In de oorspronkelijke eedformule bij Gods haar worden Goden diens haar tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik ervan maakt haar tot een vloek en later tot uitroep. Een verzachte vorm van de verwensing breek je nek! is breek een haar! Vaak komt ze niet voor. Van Eijk (1978: 80) kent...

Lees verder
1992
2022-10-06
Symbolen

Hans Biedermann

haar

bijvoorbeeld bij de bijbelse held Simson (Richteren 13: 24) zetel van diens kracht. In Numeri 6 mag iemand die zich met een ‘nazireeërgelofte’ aan God wijdt niet alleen geen wijn drinken en niet bij een dode komen, maar ook zal er ‘geen scheermes aan zijn hoofd komen; ... totdat de tijd, voor welken hij zich aan den Here gewi...

Lees verder
1990
2022-10-06
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

haar

haar - De vezelachtige uitgroeiïngen op de huid van allerlei dieren, die bestaan uit het eiwit keratine en onder andere worden gebruikt voor het maken van stoffen, als opvulling en voor het maken van kwasten en borstels.

1974
2022-10-06
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

haar

verhoornde uitgroeiingen van de huid, ontstaan uit epitheelcellen, bij alle zoogdieren aanwezig, soms slechts enkele haren (bij walvissen). De wortels liggen in een instulping van de kiemlaag in de lederhuid. Het deel er boven is de haarschacht. Een haar groeit vanuit de kiem en wordt gevoed vanuit de haarpapil, waarin zich haarvaten bevinden. Talg...

Lees verder
1963
2022-10-06
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

haar

zn.: zie goed, slecht, hoog (3), plat haar.

1954
2022-10-06
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Haar

capillus, een bijzondere differentiatie van de huid waarbij in een speciale instulping (haarzakje) een zodanig veranderde celgroei en verhoorning plaats vindt, dat een haarwortel gevormd wordt, welke als haar schacht omhoog groeit. Behalve bij albinisme of bij ouderdom worden de verhoornde cellen van het haar rijkelijk van pigment voorzien, terwijl...

Lees verder
1954
2022-10-06
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Haar

1. (dierk.) H. wordt gevormd door de opperhuid op de grens van opperhuid en lederhuid en beschermt de zoogdieren tegen ongunstig weer. De h. liggen in een buis, de haarschede, die onderaan iets verdikt is en de haarpapil bevat (z. lig. bij Huid). Het geheel wordt ook wel als haarzakje aangeduid. Van uit de haarpapil groeit de h., die al spoedig ver...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Haar

1. s.n., hier (it), pl. h i e r r e n; — op rug van varken, boarstels, pl.; iem. in hetzitten, immen yn ’e faksen sitte, ride; elkaar in hetzitten, it meiinoar yn ’t jern hawwe, inoar yn ’t jern hingje, sitte, meiïnoar omhottefylje; om iets met de han...

Lees verder
1951
2022-10-06
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Haar

1. haar; vlok, haarpluis; Haare lassen, een veer laten; nicht ein Haar, geen zier; er hat doch ein Haar darin gefunden, hij heeft ’t toch vervelend gevonden; auf ein Haar, aufs Haar genau, precies, op de kop af; um ein op een haar na, bijna; darüber lasse ich mir keine grauen Haare wachsen, daar trek ik me niets van aan; sich in den Haar...

Lees verder
1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Haar

o. (...haren).

1949
2022-10-06
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Haar

bij de mens onvertakte, verhoornde draden, die ontstaan als een vorming van de opperhuid (z huid). De kleur der haren wordt veroorzaakt door pigment. Bij het grijs worden verdwijnt de kleurstof.

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

haar

I. o. haren, haartje (1 in het alg. fijne, buigzame vezels, groeiend op de huid van mensen en zoogdieren; inz. hoofdhaar; 2 één vezel; fig. een kleinigheid): 1. een mens heeft zwart, bruin, rood enz. haar; het haar van pelsdieren; uitvallen van ‘t haar; zijn haar opmaken; zegsw. de gelegenheid bij het haar grijpen, het rechte og...

Lees verder
1933
2022-10-06
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Haar

o/h grootste deel v/d huid v/d mensch e/d meeste dieren verspreide, dunne, hoornachtige vezels; b/d dieren tot behoud v/d lichaamswarmte, b/d mensch nog slechts v. ondergeschikte beteekenis. H.-vorm dient ter onderscheiding v. d, rassen.