Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Graan

betekenis & definitie

GRAAN, o. (granen), de zaadkorrel van de eene of andere korensoort: (spr.) met graantje bij graantje krijgt de hen de krop vol;

— een graantje pikken, ven borreltje drinken;
— koren een zak met graan; marktschoon graan, gewand en gezuiverd, geschikt om aan de markt te worden gebracht;
— het graan op den halm verkoopen, als het nog te veld staat;
— (spr.) alle graan heeft zijne zemelen, alles heeft zijne schaduwzijde;
— het te veld staande gewas: het graan heeft van den hagelslag geleden;
— het gemaaide koren aan schooven het graan optassen;
— graansoort; een handelaar in granen en zaden; in den handel rekent men ook boonen en erwten onder de granen;
— (w. g.) korrel (in ‘t algemeen): een graantje zout; men breekt het diamant door zijn vergruizeld graan. GRAANTJE, o. (-s).