Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Graal

betekenis & definitie

GRAAL, m. (in middeleeuwsche sagen en romans) de schaal of schotel, waarvan Christus zich bij het laatste avondmaal bediende en waarin Jozef van Arimathea het bloed uit Jezus’ zijde opving;

—BURG, m. (in de graalromans) het kasteel waarin de heilige graal bewaard werd;
—RIDDER, m. (*s), ridder die uittoog om den graal te zoeken;
—ROMAN, m. (-s), (in de middeleeuwsche letterkunde) (berijmde) verhalen, handelende over het zoeken en vinden van den graal (eene afdeeling der Keltische of Arthurromans).