Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Drinken

betekenis & definitie

DRINKEN, (dronk, heeft gedronken), door den mond eenige vloeistof tot zich nemen hij drinkt een glas wijn; uit een kopje drinken; als men verhit is, moet men niet te veel drinken; den giftbeker drinken;

— (fig.) iemands gezondheid of op de gezondheid van iem. drinken, hem onder *t drinken van een glas wijn enz. gezondheid toewenschen; (ook) op iem. (iemands welzijn) drinken; op den goeden uitslag drinken;
— drinken als een Tempelier, (een beest, eene koe, een snoek, een zwijn, eene spons enz,), overmatig, buitensporig drinken; iem. van de bank, onder tafel drinken, hem zooveel laten drinken (terwijl men zelf meedrinkt) dat hij van zijne plaats rolt, het van hem winnen in het drinken;
— eene vloeistof opzuigen: de spons drinkt het water; de grond dronk den regen; dronk het bloed van landzaat en van vreemden;
— (fig.) hij kan zijn bloed wel drinken, is zijn gezworen vijand;
— hij drinkt, is aan den drank;
—, o. het drinken, (ook) drank; dat drinken deugt niet; het eten en drinken is er goed;
— verslaafdheid aan den sterken drank; zijn drinken deed hem den dood.