Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Gebied

betekenis & definitie

GEBIED, o. (w. g.) de daad van het gebieden of heerschen, heerschappij, macht, gezag: het opperste gebied, het oppergebied, de hoogste macht: de vorst heerschte met machtig en onbesproken gebied;

— onder iemands gebied komen, staan, stellen, brengen, onder zijne heerschappij of macht;
— (het) gebied voeren (over, in, op), (de) heerschappij voeren, heerschen, (van krijgslieden) het bevel voeren; (fig.) maar laat de Deugd haar luister stralen, dan huldigt alles haar gebied, hare macht;
— de streek, het land of rijk waarover een persoon heerscht het gebied van een vorst, zijn rijk, staat of staten;
— het gebied der Romeinen, het Romeinsche rijk;
— het gebied eener stad, de landstreek waarover zij rechtsmacht oefent;
— grondgebied, rijksbodem het gebied der Nederlanden; het fransche gebied;
— het gebied van eene rivier (of stroom), de streek of streken waarvan zij het water afvoert, in engeren zin, het oeverland; vgl. stroomgebied;
— het hemelsch gebied, het hemelrijk;
— het gebied der wolken, de wolkenhemel, het hemelruim;
— een land, eene streek in ’t algemeen alles schier, wat vogel hiet, vlood, verschrikt naar vreemd gebied;
— een vak van wetenschap of kunst: het gebied der geschiedenis, al wat betrekking heeft op de geschiedenis;
— op het gebied der kunst, in kunstzaken;
— wat betrekking heeft op het verstand, het gevoel, de verbeeldingskracht: het gebied der verbeelding, het geheel der voorstellingen, die door de verbeelding of phantasie worden opgewekt;
— het geheel eener tijdruimte het gebied der toekomst, de toekomstige tijd, de toekomst.