Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heerschen

betekenis & definitie

HEERSCHEN, (heerscht, heeft geheerscht), als heer gebieden, heerschappij voeren God heerscht over al het geschapene; een streng korting zal over u heerschen;

— wie heerscht doet zijne macht gelden om te worden gehoorzaamd, terwijl wie regeert tot welzijn zijner onderdanen een verstandig gebruik ervan maakt;
— het heerschende vorstenhuis, dat aan de regeering is;
— (spr.) verdeel en heersch, voedt partijschap om te beter te kunnen gebieden;
-de Franschen heer sekten over ons land;
— hij wil in het bestuur heerschen. alleen alles te zeggen hebben, den baas spelen;
— die vrouw heerscht over haar hart, is er meester over;
— overmachtig zijn, met meer kracht dan iets anders zich doen gelden; (bijb.) dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam;
— één enkel denkbeeld heerschte in zijn gemoed;
— de heerschende godsdienst, kerk, door den staat erkend, staatskerk; (ook) die door de meeste inwoners van het land beleden wordt;
— de heerschende wind, windrichting, die gedurende zeker tijdvak of in een bepaalde gebied, het meest voorkomt;
— een heerschend erf, tot welks gebruik of nut een ander erf met eene erfdienstbaarheid bezwaard is;
— de thans heerschende meesters (in de schilderkunst), die den toon aangeven; gedurende zekeren tijd of op eene bepaalde plaats voorkomen, voorvallen, aangetroffen worden: de mazelen heerschen hier; er heerschte groote koude;
— er heerscht dezen winter veel ellende;
— toen heerschten rijkdom en voorspoed;
— eene doodelijke stilte heerschte alomme;
— de duisternis heerschte in de kamer;
— een geest van liefde, van haat, van onverschilligheid, van ontevredenheid heerscht onder hen;
— de heerschende mode. algemeen in gebruik, in zwang. HEERSCHING, v. (-en), (w. g.) het heerschen.