Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gezag

betekenis & definitie

GEZAG, o. macht, bewind over anderen: het koninklijk gezag; het Gezag der Kerk; een kind staat onder het wettig gezag zijner ouders of voogden;

zijn vaderlijk gezag doen gelden, zijne macht als vader;
— met zijn gezag tusschenbeide komen, zijne macht gebruiken om den voortgang van iets te stuiten;
— met gezag bekleed zijn, macht hebben;
— op gezag, met machtiging, autorisatie van hoogerhand: Academisch Proefschrift, op gezag van den Rector Magnificus in het openhaar te verde digen (op den titel eener dissertatie);
— op eigen gezag, eigenmachtig, zonder de vereischte machtiging hij deed het op eigen gezag;
— de regeering, de overheid of de lichamen en personen die haar vertegenwoordigen het openbaar, het politiek, het militair gezag, de landsregeering, de burgerlijke, de militaire overheid;
— het bevoegd gezag, de competente overheid, die recht van spreken heeft; -
— vreemd, uitheemsch gezag, eene vreemde mogendheid;
— invloed, overwicht, autoriteit: een man van gezag',
— het gezag van een schrijver, het gewicht dat men aan zijn oordeel, zijne uitspraken hecht:
— iets op iemands gezag aannemen, het gelooven zonder eigen onderzoek, alleen omdat hij het gezegd heeft;
— men hecht veel gezag aan zijne uitspraken, veel gewicht;
— het gezag van den bijbel, de vaststaande autoriteit van de H. Schrift;
— het gezag eener uitgave, de graad van betrouwbaarheid, nauwkeurigheid, in vergelijking met andere uitgaven van hetzelfde werk.