Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Daad

betekenis & definitie

DAAD, v. (daden), eene met bewustheid gepleegde handeling om een bepaald doel te bereiken: loffelijke daden; daden van vijandschap;

— woorden genoeg, maar geen daden;
— de daad bij het woord voegen, een geuit voornemen onmiddellijk ten uitvoer brengen;
— iem. op heeter daad betrappen, terwijl hij bezig is, gedurende het bedrijven der daad;
— met raad en daad bijstaan, krachtig met alle middelen ondersteunen;
— de daden moeten spreken, getuigen, men moet het door zijne daden toonen;
— den wil voor de daad nemen, iemands pogen, bedoeling waardeeren zonder den ongunstigen uitslag in rekening te brengen;
— velen voeren den naam, weinigen de daad, de daden van menigeen beantwoorden niet aan den naam, dien hij voert;
— daden van koophandel, het inkoopen van waren, met de bedoeling ze later weer te verkoopen.