Effen betekenis & definitie

EFFEN, bn. en bw. (-er, -st), gelijk, vlak, glad, niet hobbelig eene effen vlakte, baan; — de effen zee, de kalme zee, (ook fig.) eene effen levenszee; (ook) 't is daar altijd niet effen, vgl. oneffen; — (fig.) vereffend onze rekening is effen; — leen mij nog 3 gulden, dan is het juist een effen getal, een rond getal; — uitgestreken, deftig (van gelaat): een effen gezicht zetten, trekken, niet vriendelijk, blijk geven dat iets minder aangenaam is; — iets effen doen (of praten),(gew.) vereffenen (eene rekening, een twist enz.); — koel, teruggetrokken zijn; ik ga er vooreerst niet meer heen, zij deed zoo effen; — eenvoudig (zonder bijwerk of bloemen): effen rood, zonder andere kleuren; — eene effen stof, niet gewerkt; — een effen kleedje, niet met kant, lint, strooken afgezet; — (spr.) effen is kwaad treffen, het is moeilijk het iedereen naar den zin te maken; — (gew.) iets effen drinken, door een gemeenschappelijken dronk vereffenen (een twist b. v.); — (gew.) iets effen maken, (een twist) vereffenen (door eene kloppartij b. v.), vereffenen door (hoewel men de beleedigde partij is) toe te geven, verzoenen; — iets effen praten, (een misverstand) door praten uit den weg ruimen; (een geschil) door een (vaak vrij ernstig) gesprek (of door bevredigende inlichtingen) vereffenen; — (gew.) iets effen rekenen, eene rekening vereffenen; (ook fig.); —, bw. eventjes hij is er effen geweest, zeer kort; — (Z. A.) zeer kort geleden hij is van effen nog hier geweest; — ternauwernood ik kan het mij nog maar effen herinneren.

Gepubliceerd op 02-09-2018