Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Effen

betekenis & definitie

EFFEN, bn. en bw. (-er, -st), gelijk, vlak, glad, niet hobbelig eene effen vlakte, baan;

— de effen zee, de kalme zee, (ook fig.) eene effen levenszee; (ook) 't is daar altijd niet effen, vgl. oneffen;
— (fig.) vereffend onze rekening is effen;
— leen mij nog 3 gulden, dan is het juist een effen getal, een rond getal;
— uitgestreken, deftig (van gelaat): een effen gezicht zetten, trekken, niet vriendelijk, blijk geven dat iets minder aangenaam is;
— iets effen doen (of praten),(gew.) vereffenen (eene rekening, een twist enz.);
— koel, teruggetrokken zijn; ik ga er vooreerst niet meer heen, zij deed zoo effen;
— eenvoudig (zonder bijwerk of bloemen): effen rood, zonder andere kleuren;
— eene effen stof, niet gewerkt;
— een effen kleedje, niet met kant, lint, strooken afgezet;
— (spr.) effen is kwaad treffen, het is moeilijk het iedereen naar den zin te maken;
— (gew.) iets effen drinken, door een gemeenschappelijken dronk vereffenen (een twist b. v.);
— (gew.) iets effen maken, (een twist) vereffenen (door eene kloppartij b. v.), vereffenen door (hoewel men de beleedigde partij is) toe te geven, verzoenen;
— iets effen praten, (een misverstand) door praten uit den weg ruimen; (een geschil) door een (vaak vrij ernstig) gesprek (of door bevredigende inlichtingen) vereffenen;
— (gew.) iets effen rekenen, eene rekening vereffenen; (ook fig.);
—, bw. eventjes hij is er effen geweest, zeer kort;
— (Z. A.) zeer kort geleden hij is van effen nog hier geweest;
— ternauwernood ik kan het mij nog maar effen herinneren.