Effen
bn. en bw. (-er, -st), 1. gelijk van oppervlak, vlak, glad, niet hobbelig: een effen vlakte, baan; (gew.) zo effen als blompap ; — de effen zee, de kalme zee, ook fig., een effen levenszee ; — ’t is daar altijd niet effen, geen ongestoorde harmonie ; 2. van een rekening of afrekening of van zake...