Wat is de betekenis van effen?

2025-12-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Effen

bn. en bw. (-er, -st), 1. gelijk van oppervlak, vlak, glad, niet hobbelig: een effen vlakte, baan; (gew.) zo effen als blompap ; — de effen zee, de kalme zee, ook fig., een effen levenszee ; — ’t is daar altijd niet effen, geen ongestoorde harmonie ; 2. van een rekening of afrekening of van zake...

2025-12-11
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

effen

effen - Bijvoeglijk naamwoord 1. glad van oppervlak 2. gelijk van kleur 3. zonder het uiten van gevoelens Met een effen gelaat vertelde de man de grootste leugens. effen - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen ♢ Ik eff...

2025-12-11
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

effen

effen - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ef-fen 1. met een oppervlak zonder bobbels ♢ het oppervlak is na deze bewerking helemaal effen 2. zonder gevoel of hartelijkheid ♢ met een effen gezicht...

2025-12-11
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

effen

- op zijn effen komen/krijgen/raken, weer in orde komen, erbovenop komen. - hij is op zijn effen, hij is weer in orde.

2025-12-11
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

EFFEN

kerkdorp onder de gemeente Princenhage, evenals Liesbosch; rijk aan natuurschoon; aanvankelijk een buurt met in 1840: 197 en rond de eeuwwisseling met circa 180 inwoners. Bij de annexatie van 1942 werd een deel ingedeeld bij Breda.

2025-12-11
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

effen

1. Als bnw. 1. Van omstandigheden: gelijkmatig, onbewogen. De dagen zouden effen en rustig zijn, als achter die gehate wallen geen ongeluksbroeisel, geen blind gespin van het noodlot werkzaam was, TEIRLINCK 1952, 1, 61. 2. In de verb. effen zijn, staan, van pers.: quitte zijn, gelijk staan. Hij wil natuurlijk een brief in handen hebben wa...

2025-12-11
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Dr. E. Schröder (1980)

Effen

De vraag wordt gesteld of het woord effen in de zin: de stof is gebloemd, de rand is effen, hetzelfde woord is als in de zin: zal ik dat effen (even) voor je doen? Inderdaad is dat het geval, hoe groot het betekenisverschil ook is. De eigenlijke betekenis van effen is: vlak, zonder rimpel en vandaar: zonder kleurverschil, gelijkmatig, gelijk. Die v...

2025-12-11
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

effen

geëffen, gelykmaak.

2025-12-11
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Effen

adj., effen, egael, igael, flak sljocht, glêd.

2025-12-11
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

effen

I. bn. (gelijk, glad, vlak): een effen kleur, gelijkmatig, zonder tekening of schakering; een effen vlak, niet hobbelig, gelijk; fig. een effen gezicht zetten, strak, uitgestreken; een effen rekening, afbetaald; zij zijn nu effen, hebben niets meer van elkaar te vorderen; inz. Z.-N. iets effen maken, in ’t reine brengen. II bw. (1 vlak; 2 zon...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-11
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Effen

Justus van, Ned. prozaschrijver; * 1684 te Utrecht, † 1785 te Den Bosch. Van E. was de zoon van een onbemiddeld officier. Als gouverneur van aanzienlijke jongelui kwam hij in binnen- en buitenland in hooge kringen. Van E. koos voor den vorm zijner geschriften het moraliseerende vertoog, ontleend aan de Engelsche letterkunde, naar welk model...