Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bedriegen

betekenis & definitie

BEDRIEGEN, (bedroog, heeft bedrogen), bedrog plegen, misleiden;

— (spr.) schijn bedriegt, de schijn doet zich anders (mooier) voor dan de werkelijkheid;
hij hangt van liegen en bedriegen aan elkander, hij is niet te vertrouwen, het is een rechte leugenzak;
— een meisje, eene vrouw bedriegen, haar verleiden;
— die vrouw bedriegt haar man, is hem ontrouw;
— bedriegen mij mijne oogen, ooren niet ? zie, hoor ik wel goed ?;
— met iem. bedrogen zijn, inzien, dat iem. niet aan de verwachting beantwoordt;
— in zijne verwachting, meening bedrogen worden, bedrogen uitkomen, teleurgesteld worden;
— zich bedriegen, zich vergissen;
— indien ik mij niet bedrieg, uitdrukking voor een bescheiden voorbehoud;
— zich zelven bedriegen, opzettelijk dwalen, zich de zaken anders en beter of mooier voorstellen dan zij zijn;
— zich in iem. bedriegen, een te hoogen dunk van iem. gehad hebben, (ook) iem. zich anders voorstellen, dan hij werkelijk is.