Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Schijn

betekenis & definitie

Schijn - m. lichtglans, door alle vurige en stralende voorwerpen afgeschoten : de schijn der zon, der maan, eener lamp; bij den schijn van het vuur lezen; bij of in den schijn der lamp werken;

— er is schijn noch schaduw van bewijs, hoegenaamd geen bewijs;
— (fig.) uiterlijk doch onzeker voorkomen van iets; gestalte, vorm, aanzien;
— (spr.) wacht u voor den schijn, oordeel niet naar het uiterlijk;
— schijn bedriegt, het uiterlijk is vaak niet in overeenstemming met het innerlijk; zoo ook : zijn en schijn is twee;
— iets doen om den schijn te redden; (fig.) de schijn is tegen mij; zich aan den schijn vergapen;
— voorwendsel : onder schijn van oprechtheid, van vriendschap;
— naar allen schijn, waarschijnlijk;
— men moet zelfs den schijn (van kwaaddoen) vermijden;
— men moet den schijn van het wezen onderscheiden, bijkomende omstandigheden, het uiterlijke;
— (gew.) klep, luifel, (eener pet, eener muts).