Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

2018-08-31

AVOND

betekenis & definitie

AVEND, m. (-en), de tijd die komt, als de dag voorbij is en die nog niet tot den nacht gerekend wordt; de tijd der vallende duisternis, ook die duisternis zelve ik zal den avond afwachten om naar huis te gaan;

— een schoone avond, een avond waarop ’t weer, de natuur schoon is;
— het is avond; het wordt avond, de avond valt, ’t daglicht neemt af;
— hij kwam met het vallen van den avond thuis; (dicht.) de avond daalt;
— des avonds bereikte ik mijne bestemming nog, op den avond van dien dag;
— des avonds rust de landman van den arbeid, in ’t algemeen op alle avonden;
— bij avond, des avonds, (ook) bij het kunstlicht dat ‘s avonds aangestoken wordt: die kleuren zijn bij avond moeilijk te onderscheiden:
— in den avond, op den avond, des avonds de post komt niet voor laat in den avond;
— op den laten avond, des avonds laat, met het bijdenkbeeld van onverwachtheid, ongepastheid, overlast: wie zou daar nu op den laten avond nog bellen; (scherts.) hoe later op den avond, hoe schooner gasten (volk), (gebezigd tegen late bezoekers);
— met den avond, bij ’t begin van den avond;
— hij werkt van den morgen tot den avond, hij werkt den heelen dag, altijd;
— ik wil voor den avond daar ginds zijn;
— 't liep tegen den avond, de avond naderde;
— van avond, dezen avond; ’t weer is van avond ruw; alle avonden, iederen avond leggen wij een kaartje;
— in den loop van den avond, ’s avonds;
— den avond te voren, ’s avonds te voren, op den avond van den vorigen dag;
— hij zal te avond of morgen wel weer komen opduiken, op eenig (niet te ver verwijderd) tijdstip;
— de dag haalt den avond wel, door die moeilijkheden komen we wel heen;
— de morgen weet niet, wat de avond brengt, ’t lot is onbestendig;
— (veroud.) aller dagen avond is nog niet gekomen, de zaken kunnen nog genoeg veranderen;
— de tijdruimte van het vallen der duisternis tot het uur waarop men ter ruste gaat, vooral beschouwd in betrekking tot het werk, de ontspanning waarmee men dien tijd doorbrengt: hij wijdt zijne avonden aan de studie; de lange wintersche avond wordt met allerlei spelletjes gekort;
— een vroolijke, gezellige, een kalme avond, een avond dien men vroolijk, gezellig, kalm doorbrengt;
— ’t is heilige avond, ik zal ’t ervan nemen en maar eens luieren;
— goeden avond! groet dien men ’s avonds wisselt; iem. goeden avond wenschen, zeggen;
— zijne avonden (den avond, het avondje) ergens slijten, passeeren, de avonden in gezellig samenzijn doorbrengen;
— een avond, een avondje, eene avondpartij, soirée: een avondje geven; muzikale avondjes; menschen op een avondje vragen;
— (bij verg.) de avond van het leven, de ouderdom;
— (dicht.) het Westen;
— volgens Oudgerm. gebruik het begin van een nieuwen dag, zie MEI-, SINTERKLAAS- en VASTENAVOND.