Wat is de betekenis van avond?

2020
2021-01-15
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

avond

Het begrip avond heeft 3 verschillende betekenissen: 1) deel van de dag voor de nacht. gedeelte van de dag dat op de namiddag volgt als de laatste periode met daglicht en dat eindigt bij het aanbreken van de nacht, wanneer men zich te ruste begeeft of de volledige duisternis inzet. 2) bijeenkomst 's avonds. bijeenkomst 's a...

Lees verder
2018
2021-01-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

avond

avond - zelfstandig naamwoord uitspraak: a-vond 1. tijd tussen middag en nacht ♢ 's avonds staat altijd de televisie aan 1. een avondje uit ['s avonds een bezoek brengen aan een café, voorstelling,...

Lees verder
1990
2021-01-15
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

avond

avond - Het laatste deel van de dag, meestal de tijd van zonsondergang tot bedtijd.

1973
2021-01-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Avond

Avond - m. (-en), 1. de tijd die komt als de dag voorbij is en die nog niet tot de nacht gerekend wordt, in het algemeen het dagdeel tussen 6 (18) en 12 (24) uur: toen was het — geweest en het was morgen geweest; de eerste dag (Gen. 1,5); de tijd van de vallende duisternis, ook die duisternis zelf: de — valt; hij kwam met het vallen van de — thuis;...

Lees verder
1950
2021-01-15
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Avond

dicht. en spreekt. AVEND, m. (..en), 1. de tijd die komt, als de dag voorbij is en die nog niet tot de nacht gerekend wordt, in ’t alg. het dagdeel tussen C(18) en 12(24) uur; een schone avond, een avond waarop ’t weer, de natuur schoon is; de tijd der vallende duisternis, ook die duisternis zelve: het is avond; het wor...

Lees verder
1916
2021-01-15
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Avond

Avond - de tijd, die verloopt tusschen het ondergaan der zon en den nacht. Verschillende volken, o.a. de oude Germanen, die den tijd bij nachten telden, lieten den dag met den avond beginnen, rekenden dus den avond en den nacht tot den volgenden dag. Bij de aanduiding van feestdagen is dit oude gebruik in sommige gevallen nog gebleven; b.v. Kerstav...

Lees verder
1898
2021-01-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

AVOND

AVEND, m. (-en), de tijd die komt, als de dag voorbij is en die nog niet tot den nacht gerekend wordt; de tijd der vallende duisternis, ook die duisternis zelve ik zal den avond afwachten om naar huis te gaan; — een schoone avond, een avond waarop ’t weer, de natuur schoon is; — het is avond; het wordt avond, de avond valt, &rsqu...

Lees verder