Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

ANTWOORDEN

betekenis & definitie

(antwoordde, heeft geantwoord), ten antwoord geven hij antwoordde mij, dat hij de zaak in overweging zou nemen; hij antwoordde niets; wat zal ik hun antwoorden;

— gij moet ja of neen antwoorden:
— een antwoord geven ik zal hun dadelijk antwoorden; ik antwoord op zulke vragen niet; ge moet duidelijk antwoorden; (scherts.) antwoorden op den naam van, heeten, zie ANTWOORD:
— (bijb.) antwoorden tegen iem., zijne woorden in tegenspraak beantwoorden:
— niet antwoorden van zijne daden, (bijbel, van God gezegd) geene verantwoording ervan geven;
— (bijb.) Jezus antwoordende zeide, gaf ten antwoord;
— (w. g.) voor iets antwoorden, ervoor instaan;
— hij antwoordde met een vuistslag, liet op de vraag, den eisch, de bewering, de handeling van den ander een vuistslag volgen (vgl. antwoord);
— (krijgsw.) op schoten, door den vijand gelost, bescheid doen door ook te schieten de Franschen antwoordden ons met een hevig snelvuur; zij antwoordden in eigen spraak;
— (zeew.) aan een schip dat men ontmoet en dat door ’t hijschen der vlag gegroet heeft, op gelijke wijze den wedergroet brengen.