Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Aard

betekenis & definitie

AARD, m. wezen, natuur, natuurlijke eigenschappen (van dieren, planten): de wolf ruit wel van baard, maar niet van aard, hij verliest wel zijne haren, maar niet zijne streken;

— uit den aard slaan, den aard gedeeltelijk verliezen, (ook van personen) niet met de andere familieleden in aard overeenkomen : bastaarden slaan meest uit den aard, -
— (van personen) natuur, inborst, karakter: die jongen is goed, heftig van aard;
— uit den aard, van nature, uiteraard;
— dat ligt nu eenmaal in zijn aard, dat brengt zijn karakter mee;
— (w. g.) hij heeft daar een aardje van, heeft aanleg tot (meestal ongunstig);
— hij heeft een aardje naar zijn vaartje (vadertje), hij lijkt op, aardt min of meer naar;
— (w. g.) ongelijke aard dient niet gepaard, soort zoekt soort;
— (van zaken) de kenmerkende eigenschappen, gesteldheid : van dien aard; de aard der zaak;
— uit den aard der zaak, het is een noodwendig gevolg van;
— naar den aard, zooals ’t behoort; het is naar den aard, er valt niets op af te dingen;
— alles naar den aard, maar geen stuk op zijne plaats, iron. gezegd van een slordigen boel;
— hij zingt, werkt, studeert dat het een aard heeft, zeer sterk, terdege, hard, duchtig enz.;
— (veroud.) ploeg- of bouwland; korenaard = KORENLAND;
— (gew,) woonplaats, land, bodem, grond;
— (Zuidn.) markt: korenaard = KORENMARKT.