Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

2020-02-24

Ruit

betekenis & definitie

Het begrip ruit heeft 5 verschillende betekenissen:

1. ruit - ruit - v. (-en), parallellogram met gelijke zijden, inz. zulk een scheefhoekig parallelogram, rhombus (in de meetkunde aangeduid door het teeken ▱); vierhoekig perkje op servetgoed;
— vierkante schijf vensterglas : door de ruiten kijken ; de ruiten zijn beslagen; eene nieuwe ruit inzetten; ruit uit één glas; (fig.) zijne eigen ruiten ingooien, zelf zijne zaak bederven, zich nadeel berokkenen;
— (diev.) eene ruit drukken, indrukken met het doel om te stelen;
— vierkant perkje op een dam- of schaakbord;
— vierkant in een wapen;
— de vierkantjes in een wafelijzer, in eene wafel;
— rood vierkantje op eene speelkaart;
— vlakte of zijde van edelgesteenten. RUITJE; o. (s).

2. ruit - ruit - v. (-en), (gew.) sloot waarin men hennep te roten legt.

3. ruit - ruit - v. (gew.) schurft.

4. ruit - ruit - v. (plantk.) wijnruit (ruin graveolens) zeker sterkriekend kruid dat als huismiddel tegen stuipen van kleine kinderen gebruikt wordt, door het op de polsen der armpjes te leggen; (ook) eene groep van ranonkelachtige planten (thalictrum).

5. ruit - ruit - o. (gew.) uitgetrokken onkruid; of ook langs akkers, heggen en bosschen gesneden gras, dat behoeftige lieden aan hun vee geven.