Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Rekening

betekenis & definitie

v. (-en),

1. het rekenen, het tellen van zeker punt af; in ’t bijz. met betr. tot de tijd wanneer een zwangere zal bevallen: zij was op het einde van haar rekening; zij is aan de rekening, zij is zwanger ; — het kan rekening velen, het is bij de beddeplank af; — zij mag gaan buiten haar rekening, maar niet buiten haar tijd, scherts, gezegd van een vrouw die haar briefje verloren heeft;
2. soort of wijze van rekenen (cijferen); vgl. differentiaal-, kans-, interestrekening;
3. berekening, becijfering : de rekening sluit; — inz. berekening van voordeel of verlies : zijn rekening (op)maken; bezwaarlijk is ’t, eens anders rekening te maken, gezegd als men over iemands uitgaven in verband met zijn inkomsten spreekt:

zijn rekening buiten de waard maken, zie bij Rekenen :

oneig. : per slot van rekening, tenslotte, eindelijk; alles wel beschouwd; — (fig.) een verkeerde rekening maken, zich vergissen, zich bedriegen; — dat is een streep door de rekening, een teleurstelling daardoor komen de zaken heel anders te staan; — (vero.) dat zal de rekening niet maken, dat zal niet zo veel kosten, geen zware last zijn : — zijn rekening er bij vinden, er voordeel bij hebben;

3. het afrekenen, vereffening : rekening houden ; — (spr.) korte rekening, lange vriendschap, als men spoedig betaalt wat men schuldig is, blijft de onderlinge verhouding goed ; ook : effen rekening maakt goede vrienden ; — rekening doen, verantwoording doen van gelden (inkomsten en uitgaven) die men onder zijn beheer heeft gehad ; vand. (inz.) in de fig. uitdr. rekening en verantwoording doen, rekenschap afleggen van zijn daden, uiteenzetten hoe en waarom men gehandeld heeft; — (fig.) het kind van de rekening zijn, het gelag moeten betalen, moeten boeten voor wat anderen bedreven hebben;
4. in de verb. voor rekening, ten laste, ter verantwoording van de genoemde persoon: voor eigen rekening; dat komt voor zijn rekening ; — je krijgt het, dat is voor mijn rekening, vertrouw daar vast op; dat laten wij —, blijft voor rekening van de schrijver, daarvoor willen wij niet verantwoordelijk zijn;
5. staat waarop naar debet en credit aangetekend wordt wat iem. aan de houder van die staat verschuldigd is, resp. bij hem tegoed heeft: een rekening bij iem., bij een bank hebben (vgl. rekening-courant); iets op een rekening storten, van een rekening af schrijven : openstaande rekening, die nog niet afgesloten —, waarvan het saldo nog niet opgemaakt is ; een rekening sluiten, ze optellen en het saldo berekenen ; ook fig. ; — op rekening stellen, opschrijven wat geleverd of verricht is en wat daarvoor betaald moet worden ; — in rekening brengen, betaling vorderen voor ; — dat is voor mijn rekening, dat zal ik betalen, (fig.) dit neem ik op mij, ik belast mij er mee; geld op rekening geven, in mindering, op afkorting : — op rekening kopen, niet dadelijk betalen ; — op rekening leveren, borgen ; — (fig.) hij heeft nogal wat op zijn rekening, voor veel is hij verantwoordelijk ; (ook) hij heeft nogal veel misdreven : — dat zet ik op zijn rekening. daarvan geef ik hem de schuld, ik stel hem verantwoordelijk daarvoor;
6. opgave aan een debiteur van geleverde goederen of van verrichte werkzaamheden en van het bedrag, dat er voor betaald moet worden ; ook het blad papier met deze opgave: een rekening van 10 posten-, rekeningen schrijven-, een rekening indienen, vragen, afdoen, vereffenen, voor voldaan tekenen ; — een hoge rekening, tot een groot bedrag ; — (spr.) onder in de zak vindt men de rekening, later blijkt, hoe hoog de kosten zijn, hoeveel nadeel men zich gedaan heeft; — een rekening van Jan Kalebas, zie bij Jan;
7. rekening houden met — (eig. een gallicisme, maar geheel ingeburgerd), in aanmerking nemen, bedacht zijn op, meetellen;
8. gissing, schatting, mening: naar mijn rekening kan hij nu wel thuis zijn; — dat ging buiten zijn rekening, liep anders dan hij gedacht had;
9. (w. g.) het rekenen op, vertrouwen: rekening op iets of iem. maken.