Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Tijd

betekenis & definitie

m. (-en),

1. de voortgang en opvolging der gebeurtenissen en verschijnselen als een zelfstandige en ononderbroken eenheid beschouwd : bij het ordenen der waarnemingen wordt gebruik gemaakt van tijd en ruimte : de tand des tijds, zie bij Tand ; de tijd gaat snel, vliegt; de tijd vergaat, verloopt, verstrijkt, staat niet stil; de tijd baart rozen, zie bij Roos ; waar blijft de tijd? — in de nacht der tijden, in de tijd waarvan wij niets meer weten ; — na verloop van tijd; in de loop des tijds, langzamerhand: de tijd slijt alles ; de tijd is de beste medicijn; de tijd zal het leren, na verloop van tijd zal men zekerheid krijgen, het juiste van iets inzien, enz. ; het is maar een kwestie van tijd ; als hij maar tijd van leven heeft, als hij lang genoeg daarvoor leeft; bij tijd en wijle, na verloop van tijd, als het schikt: bij tijd en wijle denk ik daar nog wel eens op terug te komen ; met de tijd, gaandeweg, allengs, op de duur (vgl. mettertijd);
2. schema van verdeling en benoeming van de voortgang van regelmatig terugkerende astronomische verschijnselen als maatstaf voor alle andere : de ware tijd, het door de stand van de zon aangewezen punt in de voortgang van het etmaal; de middelbare tijd, berekend naar het gemiddelde van de zonnedagen ; de plaatselijke, wettelijke tijd; de tijd van Greenwich, volgens de meridiaan van G. ; de Westeuropese tijd ; hebt u de tijd? kunt u me zeggen hoe laat het is ? ; (Zuidn.) hoe laat is ’t aan de tijd? — hij is uit de tijd, ontstemd, in zijn wiek geschoten ;
3. punt of plaats, niet als duur beschouwd in de opvolging der verschijnselen : tijdstip : op sommige tijden zoek ik de eenzaamheid : de tijd van aankomst; ten tijde van ; te allen tijde; terzelfder tijd; te zijner tijd, op het tijdstip dat de zaak vereist, op een gelegen tijdstip ; van tijd tot tijd, op ongeregelde tijden, bij tussenpozen, nu en dan; morgen, gisteren om deze tijd ;
4. het juiste, het geschikte, het vastgestelde tijdstip : hij heeft de tijd en de gelegenheid laten voorbijgaan; men moet zijn tijd waarnemen, de gunstige tijd ; het wordt tijd voor school; de tijd nadert' dat ik... ; het is hoog tijd om te vertrekken, men kan niet langer wachten ; tijd om te eten, slapen ; het is tijd, t.w. om te beginnen, op te houden of uit te scheiden ; het wordt mijn tijd, t.w. om te vertrekken ; (Zuidn.) dat vlees is tijd op, tijd gegeten, is het bederf nabij ; er is een tijd van komen en een van gaan, niets is bestendig, ook de mens niet; iemands tijd; wacht je tijd af, wacht je beurt af; oud vóór zijn tijd ; bij tijd en wijle (Zuidn. op tijd en stond), op het geschikte ogenblik, te gelegener tijd ; op tijd, vroeg genoeg, niet te laat; over tijd, later dan behoorde, te laat; vóór, over tijd komen, te vroeg, te laat; zij beviel vóór de tijd, voordat haar zwangerschap ten einde was ;
5. deel van de algemene opvolging van gebeurtenissen en verschijnselen waarover een werking of een toestand zich uitstrekt; duur ; tijdsduur : na hoeveel tijd begint het opnieuw? — in tijd van een jaar, binnen het verloop van een jaar ; voor korte tijd, niet lang geleden; — bepaaldelijk met de gedachte aan een lange duur : wat was het een tijd dat hij haar niet gezien had! ; sedert onheuglijke tijden, waarvan men zich het begin niet herinnert; in tijden, in lang: hef heeft in tijden zo niet gespookt; een tijdje, een korte duur : het bleef nog een tijdje stil; de hele tijd, voortdurend, telkens weer : hij praat de hele tijd over zichzelf ; een lange, een korte tijd duren ; een hele tijd geleden, langer dan men zou denken ; geruime tijd; iemands tijd, de duur van zijn leven : het zal mijn tijd wel duren; alles heeft zijn tijd, alles komt op, duurt zekere tijd ; alles moet zijn tijd hebben ; — tijdsverloop tussen twee gebeurtenissen, tijdsverloop dat een aanstaande handeling voorafgaat, tussentijd: aanstonds kom ik beneden, zorg jij in die tijd voor thee ; — met betr. tot een overeenkomst, verbintenis, opdracht of straf: termijn : na afloop van de tijd ; iemands tijd, de duur waarvoor hij zich heeft verbonden of die hem is opgelegd : zijn tijd uitzitten, t.w. in de gevangenis; (Zuidn.) zijn tijd uitdoen, zijn dienst waarnemen tot het einde van een bepaalde termijn ; — uitstel van betaling of aflossing : op tijd betalen of verschuldigd zijn ; — (sport) opgenomen tijdsverloop waarin een afstand is afgelegd : de tijd van 11,5 sec. was teleurstellend ; in de andere wedstrijden werden betere tijden geboekt; tijd opnemen; de 150 meter op tijd lopen, terwijl de tijd wordt opgenomen ;
6. deel van de algemene opvolging der verschijnselen dat als eenheid wordt beschouwd ten opzichte van zijn karakter of met het oog op een daarbinnen vallend gebeuren; tijdperk: nu glijden de tijden zo langzaam

aan (Van Eeden); niet meer van deze tijd, inz. van opvattingen of manieren: geheel verouderd, thans misplaatst; (zegsw.) komen die tijden, komen die plagen, wie dan leeft, die dan zorgt; komt tijd, komt raad, als het die tijd is, dan zal men wel raad weten; geen zorgen vóór de tijd, voordat het nodig is; — andere tijden, andere zeden, iedere tijd heeft zijn eigenaardige zeden en gewoonten; — bepaaldelijk met gedachte aan het tegenwoordige of als tegenwoordig voorgestelde tijdperk: dat beantwoordt niet meer aan de behoeften van de tijd; uit de tijd, niet meer gebruikelijk, verouderd; uit de tijd gaan, raken, verouderen; de eisen van de tijd; de geest des tijds; een teken des tijds, zie bij Teken; in de laatste tijd ging het nog al; de nieuwere tijd; de oude tijd; door die geschiedenis heeft hij een zware tijd gehad; in een onrustige tijd leven: over goede, kwade, slechte tijden spreken; een gouden tijd, zie bij Gouden; een dure tijd, een tijd dat de levensbehoeften duur zijn; (Zuidn.) er de dure tijd inbrengen, er kwistig mee omgaan; gesloten tijd, tijd gedurende welke jacht of visvangst verboden is; de Franse, de Spaanse tijd, de tijd van overheersing door die volkeren; hij had de tijd gekend dat je van een klein inkomen moest leven; de tijd van hun verkering; de tijd van de O.-I. Compagnie; in tijden van nood, van oorlog, van vrede; ten tijde van Napoleon, in de tijd dat N. leefde, regeerde; ten tijde van Olim, in de goede oude tijd; iemands tijd, a. de tijd waarin hij leeft of thuishoort: onze tijd is allesbehalve gunstig voor de kunstenaars; van zijn tijd zijn, een kind van zijn tijd zijn; met zijn tijd meegaan, met de heersende denkwijze, de mode; zijn tijd overleven, ook wel van zaken: voortleven of voortbestaan in omstandigheden waarin een persoon of zaak niet meer past; b. de tijd van zijn bloei of van zijn jeugd: in zijn tijd kon hij aardig met de meisjes overweg; dat was vóór mijn tijd; iemands jonge, goede tijd; dat was zijn beste tijd, toen was hij het flinkst, had hij het zeer goed enz.; zijn tijd gehad hebben, het beste deel van zijn leven; (ook van zaken) die jas heeft zijn tijd gehad; — (spraakk.) voegwoorden van tijd; bepalingen van plaats, bepalingen van tijd; — bij tijden, a. gedurende verschillende tijdruimten of op verschiliende tijdstippen die elkaar met tussenpozen opvolgen: bij tijden breekt de zon door de wolken; b. soms: bij tijden weet ik geen raad;

7. geheel van voorbijgaande, het leven beheersende omstandigheden of toestanden: toen was het een tijd!; de tijden zijn veranderd; de slechte tijd; — (niet alg.) is het in die tijd staan de zaken zo? waait de wind uit die hoek?;
8. geregeld terugkerende tijdruimte of tijdstip waarin bepaalde natuurverschijnselen optreden of zekere werkzaamheden verricht worden; seizoen; periode: in de tijd van de oogst, wanneer men de oogst binnenhaalt; het is nu de tijd van de schol, de bokking, dat gedeelte van het jaar dat die vis veel gevangen wordt, het lekkerst is; het is nu de tijd om te knikkeren, te hoepelen, vliegers op te laten; het was in ’t best van de tijd; de nieuwe tijd, uitroep waarmee men de eerste rijpe peren uitvent;
9. deel van de algemene voortgang en opvolging van gebeurtenissen en verschijnselen waarover iem. de beschikking heeft of dat voor een verrichting of ontwikkeling gebruikt wordt of vereist is: hoeveel tijd heb je daarvoor nodig?; hij heeft er tijd en geld voor over; tijd is kostbaar; tijd is geld, wie de tijd goed besteedt, kan geld verdienen; in zijn vrije tijd; de tijd voor iets nemen; zich de tijd geven, iets op zijn gemak doen; hij heeft altoos tijd genoeg, hij heeft de tijd aan zichzelf, hij haast zich nooit; gij hebt de tijd, ge behoeft u niet te haasten; dat heeft nog de tijd, daarmee kunnen wij nog wel wachten; dat heeft tijd tot morgen, dat kunnen wij tot morgen uitstellen, behoeft heden niet klaar te zijn; iem. geen tijd laten, hem voortdrijven, aanzetten; zich de tijd niet gunnen, overijld te werk gaan met de bedoelde handeling of die overslaan; de tijd voor iets vinden, t.w. tussen zijn andere bezigheden; tijd winnen, meer tijd beschikbaar krijgen, uitstel krijgen; niet aan de tijd gebonden zijn, vrijelijk over zijn tijd kunnen beschikken; (Zuidn.) tijd maken, de tijd voor iets nemen; zijn tijd verpraten, verluieren, verbeuzelen, verkwisten; de verloren tijd. weer inhalen; de tijd verdrijven, korten, doden; de tijd valt mij lang, ik verveel mij; met zijn tijd geen raad weten;
10. elk der vormenreeksen van een werkwoord, die de werking als voltooid of onvoltooid in heden, verleden of toekomst plaatsen: de tegenwoordige, de verleden, de toekomende tijd; enkelvoudige, samengestelde tijden, naarmate die vormen door uitgangen of met behulp van de hulpwerkwoorden worden uitgedrukt; voltooide, onvoltooide tijden;
11. (ouderw.) het aan duur gebondene, in tegenst. tot de eeuwigheid, inz. het aardse, het leven hier: de eeuwigheid vraagt naar de vrucht van de tijd (De Génestet); — als ouderw. eufemisme zijn nog vrij gangbaar uit de tijd komen, sterven, en uit de tijd zijn, dood zijn; — hierbij ook: mijn lieve tijd!; och, mijn tijd!; wel, here mijn tijd!