Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Rekenen

betekenis & definitie

I. REKENEN

(rekende, heeft gerekend), (gew.) met as bedekken : het vuur rekenen. Vgl. Inrekenen. II. REKENEN (rekende, heeft gerekend),

1. tellen: de Christenen rekenen de jaren van Christus geboorte af; iets dubbel rekenen, tweemaal meetellen; alles bij elkaar rekenen ; — (abs., van een zwangere vrouw) de tijd der bevalling bepalen : hoever rekent zij, hoever is haar zwangerschap gevorderd ?
2. (onoverg.) cijferen, met getallen werken, volgens de regels hoeveelheden (aantallen) benoemen, samenstellen en ontbinden, bep. met cijfers: leren lezen, schrijven en rekenen; hij rekent goed, vlug ; op de vingers, op de lei rekenen; rekenen met letters, cijfers, wortelgrootheden ; — uit het hoofd rekenen, zonder de getallen op te schrijven; met guldens, met franken rekenen, de bedragen daarin uitdrukken: — zelfst.: het rekenen onderwijzen; — een becijfering maken : ik heb eens even zitten rekenen, maar dat wordt een heel bedrag! — (zegsw.) buiten de waard rekenen, eig. de rekening voor zijn vertering zelf opmaken, hg. een verkeerde gissing maken omtrent het verloop dat de zaken nemen zullen ; — door elkander gerekend, liet een met het ander vereffenend, het gemiddelde nemend : het ene jaar door {in) het andere gerekend, het gemiddelde van goede en slechte jaren ; ook waar geen sprake meer is van bedragen : door elkaar gerekend hebben we toch nog vrij wat mooi weer gehad deze zomer;
3. (onoverg.) een rekening vereffenen, afrekenen: met iem. rekenen;
4. (overg.) als koopsom of kosten stellen, vragen : hoeveel rekent u daarvoor? — abs.: zou hij hiervoor rekenen!, betaling vragen ; — hij weet ook te rekenen, hij rekent, vraagt veel voor zijn arbeid ;
5. (overg.) tellen, begrijpen onder: men kan hem onder de grootste geleerden rekenen; Jezus werd met de misdadigers gerekend;
6. (onoverg.) schatten, ramen: men rekent de schade op 600 gulden; hoeveel tijd reken je daarvoor nodig te zullen hebben?
7. (overg.) houden voor, achten, als zodanig beschouwen: ik reken mij bevoegd om ... ; ik reken mij dat tot een eer; ik reken dat het uw plicht is;
8. (overg.) in aanmerking nemen: zonder zijn moeite te rekenen; rekent d’uitslag niet, maar telt het doel alleen (Tollens); je moet rekenen, ... moet je rekenen, bedenken;

hem kun je niet rekenen, moet je buiten beschouwing laten ; — reken maar! beschouw dat als zeker, als zo zijnd : wis en drie ! reken maar van yes!

9. (overg.) veronderstellen, aannemen : reken dat hij komt, dan zijn wij met zijn dertienen;
10. (onoverg.) op iem. of iets rekenen, staat maken, vertrouwen : op mijn hulp kunt gij rekenen ; — op iemands komst, vand. ook op iemand rekenen, als vaststaand aannemen dat hij komt, dat hij meedoet: er is gerekend op twintig deelnemers;daar mag je wél op rekenen, rekening mee houden, de nodige maatregelen er voor treffen.