Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Verband

betekenis & definitie

o. (-en),

1. het verbonden-zijn, samenhang, ineenvoeging: het verband van die deur is niet stevig ; iets uitzijn verband rekken, trekken, rakken, scheuren (vgl. voor de fig. bet. beneden); — ook de verbonden delen : het verband van een schip, alle spanten ; — samenhang door plaatsing : delen, bomen in 't verband plaatsen ; (bosb.) stand van de planten in de rij en van de rijen onderling; — in ’t bijz. bij het metselen: de stenen worden in verband opgemetseld, zo gemetseld dat de voegen niet boven elkaar komen ; — Vlaams verband (bij een éénsteens muur) afwisseling van twee strekse stenen met een kopse steen in dezelfde laag ;
2. abstracte, geestelijke samenhang: zaken met elkaar in verband brengen ; een verband zoeken, leggen tussen; — dit staat in verband met de oorlog ; in verband met het bovenstaande, daarmee samenhangend; — het causaal verband, de betrekking van oorzaak en gevolg; — in ’t bijz. de samenhang der in woord of schrift geuite gedachten: logisch verband ; het verband der woorden, der zinnen (vgl. zinsverband); in welk verband werd dat gezegd! iets uit het verband opmaken, uit de gehele samenhang van een passage, een schriftstuk: er is hoegenaamd geen verband in die stijl; — iets uit zijn verband rukken, uit de samenhang met het andere, zodat de zin waarin het oorspr. bedoeld was verloren gaat;
3. verbintenis: ik wil het wel op mij nemen, maar zonder verband; onder verband liggen, zich (tot iets) verbonden, verplicht hebben ; ook: verhypothekeerd zijn; hypothecair verband; (recht.) onder verband als naar rechte, zoals wet en recht het bepalen ;

onder verband van personen en goederen, aansprakelijkheid ;

4. doek, geheel van doeken, windsels enz. waarmee een gekwetst lichaamsdeel ontwonden of waarin het gehangen wordt: een verband aanleggen, afnemen ; zijn arm in een verband dragen.