Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Ander

betekenis & definitie

rangtelw., bn. en onbep. vnw.

I. Als rangtelw., tweede, in het alg. verouderd, nog over in : ten. anderen male, ten tweeden male, vgl. Andermaal, Anderwerf ; — ten anderen, in de tweede plaats, ten tweede ; om de andere, beurtelings ; — hij vloekt om het andere woord, telkens ; — mijn ander ik, de persoon die ik liefheb als mijzelf; mijn echtgenoot; — hij is om de andere dag ziek, telkens de tweede dag, (ook) zeer vaak ; — de andere week, maand, eerstvolgende ; — des anderendaags. op de volgende dag ; vgl. Anderdaags ;

II. Als bn. (ook zelfst.)

1. ander duidt een persoon of zaak aan als tweede of overblijvende, nadat een persoon of zaak al of niet uitdrukkelijk als eerste of bekende, is genoemd of aangewezen: Maria Magdalena en de andere Maria (vgl. Luk. 10 : 39) ; met verzwijging der tegenstelling : de andere zijde van de stroom, de overzijde ;

aan de andere zijde van het graf, in het toekomstige leven ; — het andere leven, de andere wereld, het leven, de wereld hiernamaals ; — naar de andere wereld gaan (verhuizen), sterven; — iem. naar de andere wereld zenden, (helpen), doden; — iem. naar de andere wereld wensen, verwensen ; — een drukte, een moeite van de andere wereld f een buitengewoon grote drukte, moeite; — ter eenre,, ter andere (zijde) (in notariële akten) ; — de andere kunne,. het vrouwelijk geslacht (tegenover het manlijk); — neem de pen in de andere hand (dan waarin zij zich bevindt) van meer dan twee personen of zaken, telkens paarsgewijze beschouwd, gebezigd: zij wierp de paarlen de een na de ander op de grond ; 2.ander geeft te kennen dat een persoon of een zaak. niet dezelfde is als die waarvan men spreekt of gesproken, heeft of waaraan men denkt: hij houdt het met een andere vrouw (dan zijn eigen vrouw); ik zal een andere hoed kopen (dan die ik nu draag); — deze is rot, maar al de andere appels zijn nog goed; — hij kent geen ander genot dan lekker eten ; — de premier en de andere ministersy de overige; — een ander(e) maal, bij een volgende gelegenheid, vgl. Andermaal;een en ander maaly meer dan eens, herhaaldelijk ; — de een of andere gauwdief, deze of gene ; — bij de een of andere gelegenheid zal hij zich op u wreken, bij een zich voordoende gelegenheid ; 3.ander drukt uit dat een persoon of een zaak in, hoedanigheden, eigenschappen, aard zich onderscheidt van die, waarvan men spreekt of waaraan men denkt: zijn vader had een heel ander karakter dan hij, ivas een ander man ; — (spr.) andere tijden, andere zeden, de zeden, veranderen met de tijden ; — met andere woorden (m. a. w.), ’t geen ook aldus gezegd kan worden ; — met ’t bijdenkbeeld van iets beters, groters : ik heb wel andere wijn geproefd, wel andere tochten meegemaakt; — dat is andere:tabak (dan knaster), dat is iets beters, iets uitmuntends;

dat is andere koffie, dat is iets geheel anders, veel beter dan tevoren gezegd, besproken was ;

4.zelfst. gebruikt: breng dit boek terug, de andere kunt gij houden, de overige; hij heeft vier zoons : een is er nog op school, de anderen studeren ; — ieder (van beiden) bemerkte wel, dat de ander hem iets te zeggen had ; — van deze twee broers is de een zo lui, als de andere vlijtig is ;

men kan het ene doen en ’t andere niet laten, men kan beide dingen doen ; — dit kwaad zou nog erger zijn dan H andere ; — (term in de wapenk.) van het een in of op het ander, van een figuur gezegd die in een door lijnen verdeeld schild, zich in elk schildvlak gelijkelijk uitstrekt en telkens met het veld in kleur afwisselt; — zeg het niet aan een ander, een willekeurig derde persoon; — hij bemint een and're, een andere vrouw: — kom niet in eens anders zaken, ook : in een anders zaken ; — de een of ander, iemand ; — doe het niet: een ander lacht er om, men ; — het een en ander, verschillende zaken die men niet nader aanduidt: ik zal u het een en ander over zijn vroeger leven meedelen ; — zing eens het een of ander, iets ; — onder andere (o. a.), onder andere dingen die ik zou kunnen noemen; — iets anders, wat an/Ws, enige andere zaak : laten wij over iets anders spreken ; — hij doet de hele dag niets anders <niet anders, anders niets, anders niet) dan grappen maken ;

iets, wat anders, iets (zeer) verschillends : onderwijzen is iets anders dan zelf leren ; — dat is iets anders, dat maakt een verschil, dat verandert de zaak ; — is ’t anders niet?, dat is heel wat beneden mijn verwachting, dat vind ik nog niet zo erg ; — doe die sigaren ergens anders in, in een ander voorwerp ; — wat anders?, welke andere zaak : hij rentenierde : wat zou hij anders doen? — naar analogie van iets, wat, niets anders zijn iemand, niemand, wie anders gevolgd : ik zal ’t noch aan u, noch aan iemand anders zeggen ; 't was niemand anders dan mijn verloren gewaande vriend; wie zou ’t anders geweest zijn, dan mijn vriend;— II. onbep. vnw.,

1. van personen : sommigen, enigen, velen prijzen het, anderen keuren het af, andere personen ; - onder anderen verkeren, onder andere mensen;
2.van zaken : een en ander, vroeger genoemde dingen : oom is hier geweest, we hebben rijtoertjes gemaaid, museums bezocht enz. ; ik zal u een en ander later wel uitvoeriger meedelen.