Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Aannemen

betekenis & definitie

(nam aan, heeft aangenomen),

1. iets dat aangereikt wordt uit handen van een ander overnemen : een boek aannemen ; vlees aannemen (dat de slager thuis brengt); — een boodschap aannemen, overnemen ;aannemen! toeroep tot (en antwoord van) de bediende in een koffiehuis, wanneer men wenst te bestellen, af te rekenen enz.; (bij het horen van scherpe, hatelijke woorden door een derde gebezigd :) die kunt ge in uw zak steken !;
2. het aangebodene of gegevene gaarne ontvangen, niet weigeren, niet afslaan, er genoegen mee nemen, zich laten welgevallen, ter harte nemen: geld, aalmoezen, een aanbod, belofte, verzekering, verzoek, bede, verontschuldiging, een uitnodiging, een uitdaging, een raad enz. aannemen; (recht.) een schenking aannemen, bij schriftelijke akte aanvaarden; — een wisselbrief aannemen, accepteren ; — een voorstel, een wetsontwerp aannemen, (met meerderheid van stemmen) goedkeuren; — (fig.) iets voor goede munt aannemen, opvatten als ernstig gemeend, er geloof aan hechten ; — die jongen is goed van aannemen, leert gemakkelijk ; 3. overnemen, zich houden aan: een regel, een maatstaf, een gedragslijn, een leus aannemen; — iets voor echt, als waar aannemen, erkennen; — een leer, een godsdienst aannemen, als waar erkennen, geloven; — cens anders manieren aannemen;
4. geloven: gaarne wil ik aannemen ... ;
5. onderstellen : aangenomen dat;
6. zich zelf geven (een kleding, een naam, een titel, stem enz.), het tegengestelde van afleggen;
7. (de) rouw aannemen, rouwklederen gaan dragen;
8. zich verbinden een arbeid of leverantie op bepaalde voorwaarden ten uitvoer te brengen (het tegengestelde van aanbesteden) (zie ook Aangenomen);
9. ondernemen, beginnen: de reis, de tocht, de terugkeer aannemen;
10. (iem.) in gunst, in liefde ontvangen: in genade aannemen, vergiffenis schenken;
11. in dienst nemen (werk-, krijgs- en scheepsvolk);
12. opnemen als lid in een vereniging (voorgedragenen, candidaten), in een kerkgenootschap (catechisanten), in een handelszaak (als compagnon); — als of tot kind aannemen, als eigen kind opnemen en behandelen, adopteren;
13. (bijb.) erbarmen, ontfermen: och, neem U (3de nv.) dan onzer aan ;
14. (onoverg.) toenemen : aannemende koelte; — het aannemen der zee, het hoger lopen der golven.

< >