Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Boek

betekenis & definitie

o. (-en),

1. (als voorw.) geheel van een aantal bedrukte of beschreven bladen van papier, perkament of andere stof, een geschrift over enig onderwerp bevattende, inz. zulk een geheel uit gevouwen en samengenaaide vellen bedrukt papier bestaande en al of niet in een band gebonden: een ingenaaid, een gebonden boek; oude, nieuwe boeken; een boek in losse vellen, nog niet ingenaaid; — een boek collationneren, nazien of er geen bladen ontbreken of verkeerd geplaatst zijn; — een boek opensnijden, de bladen er van op de buitenvouwen doorsnijden; — het Gulden Boek, register waarin hoge bezoekers van een stad, van musea enz. hun naam schrijven ; — schoolboek : jongen, ga naar school en vergeet je boeken niet; — altijd met zijn neus in de boeken zitten, altijd studeren; — nooit een oog in een boek slaan, nooit lezen;
2. (meer abstr.) letterkundig gewrocht, verhandeling, beschrijving enz., in zulk een samenstel van bladen neergelegd en publiek gemaakt: hij heeft een boek geschreven over zijn reis ; er worden ieder jaar duizenden boeken uitgegeven ; een boek in drie delen; een boeiend, vervelend, geleerd boek; een boek beoordelen ; dat boek is goed gegaan, verkocht; — vgl. gedenk-, kerk-, gezang-, prenten-, muziek-, kook-, reis-, tuin-, droomboek enz. ; — verboden boeken, die door de geestelijke of wereldlijke overheid, als voor het ware geloof, de goede zeden of de goede gezindheid gevaarlijk, veroordeeld zijn, en op welker lezing of verspreiding straf gesteld is ; — iets te boek stellen, opschrijven, beschrijven; — men zou er een heel boek over kunnen volschrijven, ter aanduiding van een buitengewone hoeveelheid, veelal onaangename omstandigheden en ervaringen die men beleefd heeft of nog ducht; dat is in geen boeken te beschrijven; — iemand uit een boek, zoals men alleen in de boeken, niet in de werkelijkheid aantreft; — hij spreekt als een boek, onnatuurlijk en stijf; — dat spreekt als een boek, vanzelf, dat is duidelijk ; — het Boek Gods, de Heilige Schrift, ook het Boek der Boeken genoemd ; — het boek der toekomst, van het noodlot, de toekomstige, resp. noodwendige loop der dingen; — fig. in toepassing op een geheel van denkbeelden, voorstellingen, ervaringen enz. waarin men als ’t ware kan lezen : hij las in het boek zijner verbeelding, in het boek van het verleden; — het boek der natuur, de natuur, de schepping; — het boek van het leven, van ieder mens heeft zijn duistere passages ; — in het boek van iemands hart geschreven zijn, bemind worden; eens anders boeken zijn duister te lezen, het is moeilijk eens anders zaken te begrijpen en te beoordelen; Herenboeken zijn duister te lezen, de onderdanen komt geen oordeel toe over de daden en de beweegredenen der overheid; — dat is voor hem een gesloten boek, een boek met zeven zegelen, daar weet hij, begrijpt hij niets van; — (w. g.) een boek met zeven zegelen, het laatste oordeel;
3. hoofdafdeling van een enigszins uitgebreid letterkundig werk ; ook in de bijbel: het boek Genesis ; tweede Boek, eerste hoofdstuk ; — de gewijde boeken, de bijbel; — daar kom ik met de boeken van Mozes, van iem. gezegd die met zware en oude boeken komt aansjouwen; — (scherts.) de vijf boeken Mozes, vijf oude ongetrouwde zusters of vrijsters;
4. een aantal bladen wit, veelal gelinieerd papier, ingebonden en bestemd om er aantekeningen in te schrijven, schrijfboek; inz. ter aantekening van ontvangsten en uitgaven enz. van een koopman, koopmansboek: de boeken bijhouden, afsluiten, nazien; vgl. bij-, dag-, groot-, kantoorboek enz. ; — een post te boek stellen, in de boeken inschrijven, boeken ; — een rijk boek hebben, maar arm aan kas zijn, vele vorderingen maar geen contanten hebben; — bij iem. te boek staan voor, zijn schuldenaar zijn voor een zeker bedrag; (ook) aansprakelijk, verantwoordelijk zijn voor een zaak of een misdrijf; (ook van koopwaren) als post voorkomen en geschat zijn voor een zeker bedrag ; — hij heeft een schoon boek, niets op zijn kerfstok, van iem. wiens schulden vereffend of wiens overtredingen geboet zijn; schoon boek maken, zijn schulden betalen ; — dat is een gesloten boek, afgesloten, van personen die gestorven, of zaken die afgedaan zijn; — (Zuidn.) hoe liggen, zitten de boeken? hoe staan de zaken? — wel in iemands boeken staan, hoog te boek staan, bij iem. goed aangeschreven staan; — lijst of register door een ambtenaar gehouden; vgl. adres-, dood-, doop-, notulen-, stamboek enz. ; — het boek van Adams geslacht, zijn geslachtsregister; — zij stond onder een andere naam te boek, was onder een andere naam ingeschreven in het register van de burgerlijke stand; — als goed, eerlijk, verstandig te boek staan, daarvoor doorgaan in de schatting van anderen; — een boek (met) stalen, een aantal stalen als in een album of in een bundel bijeengevoegd, b.v. van een kleermaker of stoffeerder;
5. naam voor een bepaalde hoeveelheid: een boek papier, 25 vel in elkander geslagen (vroeger en van Hollands geschept papier nog 24 vel); — een boek prenten, 24 stuks in elkaar geslagen ; — een nieuw boek is 100 vel (sinds 1877 in Duitsland en elders); een boek bladgoud, 250 blaadjes; — (Zuidn.) een boek kaarten, een spel kaarten; ook het boek, de stokkaarten;
6. de derde maag van herkauwende dieren; ook boekpens en bladmaag geheten.