Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Vlees

betekenis & definitie

o. (vlezen),

1. spierweefsel, bep. van gewervelde dieren en van de mens, als samenhangende massa of als stof: vlees en beenderen ; het vlees van bijna alle hoefdieren is eetbaar; de kogel is in het vlees blijven steken; de nagel is in 't vlees gegroeid ; in ’t vlees snijden, door de huid heen ; dat paard zit goed in zijn vlees, is niet mager ; — die boerin is net een klomp vlees, vreselijk dik en log ; — wild vlees, zie Wild; — (spr.) geen vlees zonder been, niets zonder gebreken ; — (oneig. en fig., in zegsw.) het gaat hem naar den vleze, zijn zaken gaan goed ; — bemind vlees hebben, gezegd van een meisje dat verscheidene vrijers kan krijgen ; hij is vis noch vlees, men weet niet wat men aan hem heeft;
2.de onder 1. genoemde stof als spijs, al of niet in toebereide staat: de Katholieken eten geen vlees op onthoudingsdagen, wel vis ; mager, vet vlees ; vers gezouten, gerookt, gebraden vlees ; — wit vlees, kalfsvlees en dat van hazen, konijnen, herten e.d.; — weten wat voor vlees men in de kuip heeft, met wie men te doen heeft; — ter aanduiding van een soort van vlees of vleesspijs : er moeten drie vlezen klaargemaakt worden :
3. (schild.) de kleur, het aanzien van de onbedekte lichaamsdelen : hij weet. het vlees treffend, weer te geven ;
4. (fig.) lichaam: vlees van mijn vlees en been van mijn been (Gen. 2:23); man en vrouw zullen één vlees zijn, zich vleselijk vermengen : het Woord is vlees geworden (Joh. 1 : 14), de geest (God) heeft lichamelijke gedaante aangenomen ; vand. zegsw. als : de vlees geworden afgunst, de verpersoonlijkte; — zijn eigen vlees en bloed, zijn kind of kinderen :
5. (fig.) de mens als lichamelijk, stoffelijk wezen en in betrekking tot zijn zinnelijke natuur : alle vlees is sterfelijk, alle mensen moeten sterven : de weg van alle vlees gaan, sterven ; — het. vlees is zwak (Mattli. 26 : 41), men kan niet altijd aan de slechte neigingen weerstand bieden ; — het vlees doden, alle zinnelijke neigingen onderdrukken ; — zijn welig vlees begint, te jeuken, hij springt uit de band ;
6.het, veelal eetbare, sappige deel der vruchten waarin het zaad gebed ligt, vruchtvlees.