Wat is de betekenis van wijs?

2020
2022-05-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

wijs

(1979) (jeugd) geweldig: 'dat ziet er wijs uit.' • Wijs: prachtig. Rotterdam. NRC Handelsblad, 10/03/1979, over jeugdtaal) • (C.A.J. Hoppenbrouwers: Jongerentaal: de tipparade van de omgangstaal. 1991) • Wijs: leuk, te gek. (Jacomine Nortier: Murks en straattaal. Vriendschap en taalgebruik onder jongeren. 2001)

Lees verder
2018
2022-05-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

wijs

wijs - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. verstandig, wie veel weet ♢ mijn oma is een wijze vrouw 1. hij is niet wijzer [hij weet niet beter] 2. jij moet de wijste...

Lees verder
1952
2022-05-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Wijs

1. s., wize, toan, meldij; —je, deuntsje (it), wyske (it), trammelantsje (it), trantsje (it); van de —, fan ’e wize, fan ’t sintrum, fan ’t stik, fan ’e roai, fan ’e set, it boekje bjuster, út ’t stjûr. 2. adj. & adv., wiis; hij is niet goed —,...

Lees verder
1937
2022-05-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

wijs

I. v. wijzen (1 manier van doen, gewoonte, gebruik; 2 zangwijs, melodie, aria; 3 modaliteit; 4 vorm van het w.w., dat de modaliteit uitdrukt): 1. gij moet dat op een andere wijs inrichten; bij wijze van proef; ‘t is maar bij wijs van spreken, zoals men zegt; naar mijn wijs van zien, zoals ik het inzie; de wijs (of: wijze), waarop; op generlei...

Lees verder
1933
2022-05-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Wijs

(Lat. modus) noemt men in de grammatica de verschillende vormen, die het werkwoord bezit, tot uitdrukking van de modaliteit. In het Nederlandsch hebben wij afzonderlijke vormen voor den indicativus of aantoonende wijs, bijv. hij komt, den imperativus of gebiedende wijs, bijv. kom, en den conjunctivus of aanvoegende wijs, bijv. hij kome, welke laats...

Lees verder
1898
2022-05-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Wijs

Het begrip wijs heeft 2 verschillende betekenissen: 1. wijs - WIJS, WIJZE, v. (wijzen), manier van handelen : dat gebeurde op deze wijze; eene zekere wijze van doen; niet van zijne gewone wijze afwijken ; hij heeft eene bijzondere wijze van spreken ; op duidelijke wijze te kennen geven ; bij wijze van spreken, om het zoo eens te zeggen ; hij wijze...

Lees verder
1898
2022-05-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Wijs

zie Verstandig.