Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

wijs

betekenis & definitie

wijs - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

1. verstandig, wie veel weet
mijn oma is een wijze vrouw
1. hij is niet wijzer
[hij weet niet beter]
2. jij moet de wijste zijn
[toegeven]
3. ik kan er geen wijs uit worden
[begrijp er niets van]
4. hij is niet goed wijs
[gek]
5. er geen cent wijzer van worden
[er geen financieel voordeel van hebben]
6. je bent niet wijs!
[doe niet zo dwaas]
7. oud en wijs genoeg zijn om...
[er genoeg levenservaring voor hebben]
8. er geen wijs uit kunnen worden
[het niet begrijpen]

1. tonen die samen een prettig geheel vormen
♢ hij fluit een vrolijk wijsje
1. iemand van de wijs brengen
[in de war maken]
2. geen wijs kunnen houden
[vals zingen]
3. onbepaalde wijs
[waarin het hele werkwoord gebruikt wordt]
2. bepaalde vorm van het werkwoord
♢ 'stop' is gebiedende wijs
1. gebiedende wijs
[werkwoordsvorm die een gebod uitdrukt]

Bijvoeglijk naamwoord: wijs
... is wijzer dan ...
het wijst
de/het wijze ...

Tegenstellingen
dom, onnozel, stom, suf, sullig

Algemene uitdrukkingen:
1. 's lands wijs, 's lands eer
[elk land heeft zijn eigen gewoontes]
Zelfstandig naamwoord: wijs
de wijs
het wijsje

Synoniemen
melodie