Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 04-07-2022

Katoen

betekenis & definitie

is het plantengeslacht Gossypium L., dat behoort tot de familie der Malvaceeën en uit 29 soorten en 13 variëteiten bestaat, die thuis horen, deels in Azië, deels in Amerika. Het zijn meestal éénjarige kruiden of halfheesters, zelden bomen, met enkelvoudige, gelobde, verspreid geplaatste bladeren en grote, meestal in de bladoksels alleenstaande, gele, rode of witte bloemen, die in knopvorm „squares” genoemd worden.

De bloemen hebben een uit 3, soms 5 grote, hartvormige, getande of ingesneden blaadjes bestaande, langblijvende bijkelk, en een kleine, komvormige, van 5 tandjes voorziene kelk. Er is een 5bladige kroon. Er zijn zeer veel meeldraden, waarvan de helmdraden tot een buis of „columna” vergroeid zijn en die elk een éénhokkige helmknop dragen. De stamper is bovenstandig, heeft een 3—5-hokkig vruchtbeginsel, een lange stijl, die boven de columna uitsteekt en aan zijn top 3-5 stempels draagt. De bestuiving heeft plaats door insecten. In elk hokje van het vruchtbeginsel zitten meestal 9 zaadknoppen.

De vrucht, die gedurende 20-25 dagen in omvang toeneemt, en daarna gedurende 3-4 weken rijpt, springt ten slotte met 3 tot 5 kleppen open, doordat elk vruchtblad langs de middennerf openspringt. Tijdens de groei van de vrucht ontwikkelt een deel der cellen van de zaadhuid zich tot korte, witte, of enigszins gekleurde haren, die de zgn. linters vormen, die dienen voor de bereiding van watten, koperzijde, acetaatzijde, schietkatoen, celluloselakken en -vernissen, collodium, celluloid, enz. Een ander deel groeit uit tot 10-40 mm lange, witte, zelden roestkleurige vezels lint. Soms ontbreken de linters, soms het lint, soms beide, en is het zaad dus naakt.

Het is door het lint, dat de katoen van zo grote betekenis is voor de mens. Het bestaat aanvankelijk uit een rolronde, buisvormige cel, waarvan de wand, nadat ze haar uiteindelijke lengte heeft bereikt, tijdens de rijping van de vrucht, zodanige verdikking ondergaat, dat de typische eigenschappen van de katoen er het gevolg van zijn; de wand krijgt laagsgewijze verdikkingen, en binnen elk van die lagen liggen de cellulosedeeltjes in spiralen gerangschikt, die niet alleen in elke laag van richting wisselen, doch in één bepaalde laag dat óók doen. Is de vrucht rijp, dan sterft de inhoud der cellen af, en flapt het haar tot een platte band samen, die een spiraalvormige winding vertoont, die enige omkeerpunten heeft, welke voor de verspinning tot draden van zo groot belang zijn. Het zaad heeft een hoog percentage vette olie en bevat verder eiwit, koolhydraten, doch weinig zetmeel, en in de klieren der zaadlobben „gossypol”; het is in de laatste eeuw van grote betekenis geworden.

De voor de mens belangrijkste soorten zijn G. arboreum L. de zgn. boomkatoen, G. Nanking Meyen, die vooral in China en Japan, doch ook in tropisch Oost-Azië wordt gekweekt en nauw verwant is aan G. herbaceum L., waarvan de variëteit Wightianum Watt een der meest gekweekte Indische katoensoorten is. Voor Amerika is de belangrijkste soort G. hirsutum L., die het grootste deel van de Noordamerikaanse katoen uit de handel levert en G. peruvianum Cav., die niet de Peruviaanse katoen levert, doch waarschijnlijk wel de stamplant is van de vele Egyptische katoensoorten. Tot de soorten, die geen vilt, doch alleen lang lint dragen, behoort G. barbadense L., waarvan speciaal de variëteit maritimum de Sea-island katoen levert, die ook in Egypte gekweekt wordt en G. brasiliense Macf., de zgn. nierkatoen. Tegenwoordig beschouwt men als uitgangspunt voor de indeling van het geslacht, in plaats van de bekleding van het zaad, liever het aantal chromosomen, dat 52, of 26 bedraagt.

GESCHIEDENIS

In India moet de katoen reeds 3000 v. Chr. bekend zijn geweest; van hieruit is ze waarschijnlijk naar China gekomen, waar Marco Polo de cultuur reeds zag en zelfs de verwerking van het zaad tot olie. In Egypte, dat men lang voor het land van oorsprong aanzag, omdat men meende, dat de mummies in katoenen kleden gewikkeld waren, is de cultuur zeker niet zo oud; de mummiekleden zijn van linnen. De leden van een door Napoleon naar Egypte uitgezonden expeditie vonden in de Nijldelta zowel G. arboreum als G. herbaceum in cultuur. Door de tochten van Alexander de Grote werd de katoen in het Nabije Oosten bekend en Griekenland schijnt het eerste katoenverbouwende en -verwerkende land van Europa te zijn geweest. De Arabieren brachten de cultuur naar Noord-Afrika en Zuid-Europa (Spanje en Sicilië).

De kruistochten gaven grotere bekendheid aan de katoen, die in de 14de eeuw via Venetië en Genua naar Duitsland werd vervoerd. In Europa ontstond felle strijd tussen de wol- en de katoenfabrikanten. Tot 1720 was het bij de wet verboden katoenen stoffen te dragen. Bij de ontdekking van Amerika was het gebruik van katoen daar al algemeen; de Indianen maakten er kledingstukken en visnetten van. De grote cultuur is daar echter pas ontstaan nadat de eerste Engelsen zich in 1607 in Virginia vestigden; van daar had de uitbreiding in de richting van Carolina, Georgia, Alabama en de andere zuidelijke Staten plaats. In dit zuidelijke deel van Noord-Amerika, dat met de naam „Cottonbelt” wordt aangeduid, is 10 pet van de bevolking voor haar levensbehoeften direct afhankelijk van de katoen.

Andere belangrijke cultuurgebieden zijn India, China, Rusland, Egypte en Brazilië. In Indonesië is de cultuur nog geen groot succes geweest.

CULTUUR is mogelijk in streken ten N. en ten Z. van de evenaar tot een breedte van 30°, waar een gemiddelde temperatuur van 18 gr. C. heerst. De cultuur mislukt meestal in vochtige, tropische streken, waar de planten zich weelderig ontwikkelen, ten koste van de vruchtzetting. De bodem moet goed doorlaatbaar zijn, doch mag niet spoedig uitdrogen; tegen het rijp worden der vruchten moet de regenval gering zijn, terwijl deze tijdens het opgroeien en bloeien van de plant veel groter mag zijn. Voortplanting heeft steeds door zaad plaats. In de V.S. heeft het uitzaaien veelal machinaal plaats.

Na 3 maanden begint de maximale bloei, en 2 maanden later de oogst. Daar in de V.S. de lonen hoog zijn, wordt machinaal geplukt, wat pas gebeurt als bijna alle bollen rijp zijn; dit heeft het nadeel dat de reeds eerder geopende bollen aan regen en dauw kunnen zijn blootgesteld geweest, hetgeen de kwaliteit en kleur benadeelt. Bij lage pluklonen oogst men zo gauw als een of twee bollen per plant opengesprongen zijn, en de bolster geheel is ingedroogd en verhard.

Sinds betrekkelijk korte tijd selecteert men de katoenrassen en variëteiten op landbouwproefstations naar de technologische eigenschappen (spinproeven: V.S.) naast de biologische eigenschappen (zoals resistentie tegen vorst, droogte, ziekten en plagen, korte bloeitijd, vorm van de plant enz.). Dit groots opgezette werk heeft na ca 10 jaar al tot resultaten geleid; vermoedelijk zal eerlang in de V.S. een nieuw ras, een fijne, langstapelige (40-45 mm), fraai witte vezel leverend, op grote schaal aangeplant worden. Ook Egypte, India en de Belgische regering doen pogingen de katoenrassen in hun teeltgebieden te verbeteren.

Na het drogen der katoen moet de vezel of ,,het lint” van de zaden gescheiden worden (,,ontpitten”, ,,egreneren” of het Eng. ,,ginning”). Men ,,gint” de katoen vóór het transport, daar men per m3 laadruimte slechts 200 kg ongeginde, tegenover 400 kg geginde katoen verschepen kan. Het lint wordt daarna hydraulisch tot balen van 350-400 kg per m3 geperst.

Vele landbouwkundige en technologische onderzoekingsinstituten zijn met het onderzoek van katoen bezig (het grootste technologische researchinstituut voor katoen alléén is het Shirley Institute in Manchester; grote landbouwkundige vooral in de V.S.).

HANDEL

Katoen is de belangrijkste textielvezel van de wereld geworden, al neemt het verbruik door de steeds beter worden rayonvezel af.

In Noord-Amerika, dat in 1866 nog slechts 306 000 ha met katoen beplant had, breidde de cultuur zich snel uit, zodat in 1886 reeds 7 348 000 ha, in 1906 12 561 000 en in 1926 17 846 000 ha daarmee bedekt was. Daarna ging een geleidelijke teruggang optreden, hoewel de productie per ha bleef toenemen.

De handel onderscheidt de katoen naar de stapellengte, de kleur en de zuiverheid. New York heeft een grote katoenmarkt; in Europa zijn Liverpool, Havre, Barcelona, Bremen en Rotterdam van belang.

DR A. KLEINHOONTE

Lit.: Watt, The Wild and Cultivated Cotton Plants of the World (London 1907); Bal Is, The Cotton Plant in Egypt (London 1919); Johnson, Cotton and its Production (London 1926); J. Wisselink, De vestigingsfactoren der katoenindustrie in de V.S. (Rotterdam 1928); Harland, The Genetics of Cotton (London 1938); Brown, Cotton (London 1938); G. R. Merrill, A. R. Macormack en H.

R. Mauersberger, American Cotton Handbook (1941); Lugard, Katoen, Comm. v. Ned.-Indië, Suriname en Cura^ao (New York 1945); Hutchinson, Silon and Stephens, The Evolution of Gossypium (London 1947); Crawford, The Heritage of Cotton (1948); W. F. Kroese, The Japanese Cotton Industry (Leiden 1950); E. Vale, The World of Cotton (1950).

Katoenspinnerij.

In de textielindustrie, oorspronkelijk huisnijverheid ter voorziening in eigen behoefte, is door de machinale katoenspinnerij voor het eerst het handwerk op grote schaal in fabrieksarbeid omgezet. Verschillende uitvindingen in de weverij techniek (o.a. de schietspoel door John Kay, ca 1734) deden de vraag naar garens sterk stijgen en hiermede ving in Engeland de snelle ontwikkeling der katoenindustrie in het begin der 18de eeuw aan.

Katoenspinnerij is het maken van een draad uit katoenvezels. De katoen, in geperste balen aangevoerd, ondergaat vele bewerkingen alvorens het vormen van de draad door ineendraaien der katoenvezels begint. De katoen, uit verschillende balen losgemaakt en gemengd, wordt op een lang en beweegbaar lattendoek geworpen en aldus getransporteerd naar de hopperbaalopener of mengmachine, bestaande uit een grote bak, met een schuin, opstijgend lattendoek, voorzien van stalen pennen. De door deze pennen losgeraaakte katoen wordt (tegenwoordig meestal pneumatisch) naar de zgn. menghokken gevoerd om daar na enige dagen de oorspronkelijke losheid te herkrijgen. Na het losmaken volgt het openen en zuiveren in de hopptrfeedtr, evenals de baalopener, bestaande uit een bak waarin een met punten bezette lattendoek de katoen voert naar een slagwerktuig. de porcupine-cylinderoptrui, die haar volkomen uit elkaar slaat. Een rooster onder hel slagwerktuig voert stof en vuil af.

Via een transportbuis wordt de katoen naar de exhauslopener en lapmachine gevoerd. De daarin aanwezige sneldraaiende beater slaat de katoen opnieuw uit elkaar om vuil en stof te verwijderen. Na een behandeling in metaalgazen slofkooien wordt de gevormde katoenlap door kalanderwalsen geplet en dan op een ijzeren rol gewikkeld. Men onderscheidt o.m. de Buckley-opener, voor langstapelige Egyptische katoen, en de verticale of Crighton-opener, voor stoffige, kortstapelige katoen, bijv. Indische. De aldus gevormde wikkels of las zijn nog zeer ongelijkmatig.

Daarom worden vier van deze laps samengevoegd op de slag- en wikkelmachine of scutcher. De viervoudige lap wordt dan nog eens uit elkaar geslagen, gezuiverd en opnieuw gewikkeld tot een lap. Deze scutcher heeft een invoerregulateur, die door pedaalhefbomen medewerkt om de lap zo gelijkmatig mogelijk te maken. De genoemde zuiveringsmachines bevinden zich in de zgn. blowroom of duivelskamer. Door kaarden of krassen op de kaard- of krasmachine worden de vlokken katoen nu verder losgewerkt tot zoveel mogelijk evenwijdig liggende vezelbundeltjes en wordt nog aanwezig stof verwijderd. Deze machine is een grote gietijzeren cylinder of tamboer, aan de buitenzijde bekleed met het zgn. kaardbeslag of garnituur, dat bestaat uit millioenen stalen naaldjes, waardoor de katoen wijd uitgespreid wordt. De van de scutcher komende katoen!ap wordt langzaam in de kaardmachine gevoerd. De vezels worden weggekamd door een sneldraaiende wals, de zgn. voortrekker of taker-in, met zaagvormig beslag bekleed, die de vezel laag aflevert aan de iets langzamer draaiende tamboer.

De gekaarde katoen wordt door de tamboer overgedragen op een kleinere, langzaam lopende afneimwals of doffer, waardoor de katoen zich verdicht tot een vlies, dat ten slotte van de doffer wordt afgeslagen door de hakker kam. Het dunne vlies loopt door een vork samen tot een ronde lont, die wordt opgevangen in een cylindrische bus, de draaikam of coiler. Om een regelmatig product te verkrijgen wordt de lont gerekt en worden vele lonten samen gedoubleerd. Dit rekken en doubleren geschiedt op de rek- en verstelstoelen (drawing-frame).

Voor fijne garens, bijv. voor Egyptische katoen, is het nodig de katoen na het rekken te kammen. Van de kantmachines zijn die van Heilmann en Nasmith de bekendste.

Op het rekken volgt het voorspinnen, om de lont verder te rekken tot zgn. voorgaren, dat als uitgangspunt dient voor het eigenlijke garenspinnen. Het voorspinnen geschiedt ook in drie trappen: slubbing, intermediale en roving. Op de voorspinmachines worden de lonten weer gerekt en verdund, terwijl het voorgaren op spoelen wordt gewonden. Om het voorgaren enige sterkte te geven wordt het een weinig ineengedraaid (getwist).

Na het voorspinnen volgt het eigenlijke spinnen, d.i. het verder verfijnen van het voorgaren, waarna het ineendraaien der vezels tot garen plaats heeft. Het bekendste rekwerk is het zgn. doorhaalrekwerk van Casablancas, naast die van Jannink, Le Blan-Roth e.a.

Het eigenlijke spinnen kent twee systemen: het doorlopende (continue) en het onderbroken (niet-continue) spinproces. Bij het eerste geschieden rekken, spinnen en opwinden gelijktijdig en wel op de zgn. ringspinmachines of ringdrossels (ring-throstle-frames). Het hierdoor verkregen product heet ringcop of drosselcop. Bij het tweede wordt een stuk voorgaren eerst gerekt en gesponnen en daarna opgewonden. Dit geschiedt op de zgn. self-acting mules of selfactors. Het product heet mule-garen. De ringspinmachine is voortgekomen uit de vleugelspinmachine, die oorspronkelijk werd gebruikt voor het fijnspinnen van garens en die op hetzelfde principe berust als de voorspinmachine. Op de ringspinmachine worden zowel hard getwiste garens, bestemd voor kettinggaren, als zachter getwiste inslaggarens gesponnen.

Bij de selfactor geschiedt het spinnen niet continu, doch in trappen. De selfactor wordt voor katoen meer en meer vervangen door de ringspinmachine. Het garen, dat bij de ringspinmachines op houten of hardpapieren hulzen wordt gewonden, kan bij de selfactor op de naakte spil worden gewonden; het eindproduct, daarom meestal pincops genoemd, kan echter ook op een papieren pijpje worden gesponnen.

De door de spinnerijen geleverde garens zijn vnl. kettinggarens, inslaggarens (z weverij) en tricotagegarens. Kettinggarens zijn doorgaans meer ineengedraaid, zgn. harder getwist dan inslaggarens, terwijl tricotagegarens in het algemeen nog zachter getwist zijn. Om voor deze doeleinden te kunnen dienen moeten zij overgespoeld worden op kruisspoelen, of op strengen gehaspeld. Soms ook worden zij, ter verkrijging van grotere sterkte, getwijnd, bijv. voor naaigarenfabricage. De Nederlandse katoenspinnerijen zijn vnl. in Twente gevestigd, de Belgische vnl. in Oost-Vlaanderen (o.a. Gent) en West-Vlaanderen (Kortrijk).

J. BLOEM

Lit.: J. P. Huchshorn, De Katoenspinnerij (2de dr., Deventer 1920) ; H. Glafey en E. Brücker, Baumwollspinnerei (2 dln, 1931-39); J C. Boel, De Katoenspinnerij (Amsterdam 1951).