Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

ENKHUIZEN

betekenis & definitie

gemeente op de oostelijke uithoek van de provincie Noordholland aan het IJselmeer gelegen, telt op 1624 ha (1949) 10 638 inw., waarvan (1947) 63,14 pct Prot., 17,20 pct R.K. en 19,66 pct zonder kerkelijke gezindte. Behalve de stad Enkhuizen omvat zij de buurtschappen Westeinde (begin van de lintbebouwing langs de weg naar Hoorn) en meer noordelijk Oosterdijk, met de 17de-eeuwse vuurtoren „De Ven”.

De stad Enkhuizen is een van de mooiste van Holland en draagt door haar talrijke oude gevels en pakhuizen nog een sterk 17de-eeuws karakter. Zij is door talrijke grachtjes doorsneden en is nog voor een groot deel door haar omwalling omgeven. Men kan evenwel niet zeggen, dat deze omwalling voor de tegenwoordige omvang van de stad te groot is, immers de enkele percelen die binnen de wallen nog in gebruik voor de zaadteelt zijn, moeten om aesthetische redenen behouden blijven. In verband hiermede levert een uitbreidingsplan vele moeilijkheden op. Binnen de stad bevinden zich nog verscheidene boerderijen; de daarbij behorende landerijen buiten de wallen zijn alleen te water te bereiken. Van de verdedigingswerken zijn behalve de in 1540 als poort gebouwde Dromedaris aan de haven, nog de Koepoort en twee waterpoorten bewaard. Van de overige gebouwen dienen o.a. te worden genoemd: de 15de-eeuwse St Pancras- of Zuiderkerk, de 15de-eeuwse St Gomarus- of Westerkerk met Librye (ontstaan 1588), fraai 16de-eeuws houtsnijwerk (koor en kansel) en houten klokketoren (1519) naast de kerk, het in 1688 door Steven Vennekool gebouwde Stadhuis (met Stadhuismuseum), de gevangenis (1612), de Waag (1559, waarin de nog bewaarde chirurgijnskamer en het Waagmuseum), het Weeshuis (1611) en de voormalige WestFriese Munt (1601).Het Snouck van Loosenfonds (1890, subsidiërende een park met woningen, een ziekenhuis, een tehuis voor oude dames enz.) is zeer belangrijk voor de sociale verzorging. Het in 1947 gestichte Zuiderzeemuseum zal uit een binnen- en buitenmuseum bestaan; als binnenmuseum wordt ingericht het Peperhuis, een voormalig pakhuis van de O.I.Compagnie aan de Wierdijk (1625). De stad heeft vnl. teelt van en handel in zaden, verder o.m. zaadschoonderijen en papierwarenindustrie. De visserij is niet van zeer grote betekenis. Wel is er een belangrijke visafslag. De stad ligt aan de spoorlijn Amsterdam-Leeuwarden (via veerdienst Enkhuizen-Stavoren). Verder zijn er een geregelde stoomvaartdienst op Urk en autobusdiensten op Medemblik en Hoorn met tussen- en verder gelegen plaatsen. De haven bestaat uit een spoorweghaven en een buitenhaven. Er zijn gevestigd een Rijks H.B.S. met 5-j. c., een handelsavondschool, een vrouwenarbeidschool, een visserij- en binnenvaartschool e.a. onderwijsinstellingen.

Het landelijk deel van de gemeente heeft zaadteelt, bloembollencultuur en groententeelt.

Geschiedenis

Enkhuizen is gegroeid uit de dorpen Enchuysen (vermoedelijk afgeleid van „eng” of „enk”, d.i. weide of bouwland) en Gommerskerspel. In de uithoek van West-Friesland gelegen, maakte het eerst laat de ontwikkeling van het overige Holland mee: in 1355, dus ca 100 jaar later dan de andere steden, kreeg het stadsrechten (Hoorn in 1356). Het was toen een welvarende vissersplaats, waar vele grote kooplui woonden, die op de Oostzee handel dreven. Voor de haringvangst ziedde men er zelf het zout (zoutketen), voordat men het uit het buitenland importeerde. In de 16de eeuw vindt de Hervorming er vele aanhangers, waartegenover de magistraat grote verdraagzaamheid toont. Beeldstormerij kwam er niet voor. Door deze gezindheid en de ligging aan zee trok de stad steeds de aandacht van de prins en in Mei 1572 gelukte de aanslag: de partij van de Hervormden dwong de Katholieke koningsgezinde magistraat de toelating van regeringstroepen te weigeren. Ten slotte liet men de Geuzen toe en Dirk Sonoy werd gouverneur. De stad nam een werkzaam aandeel in het nieuwe bestuur en had tot 1795 in de Staten van Holland als een van de kleine steden zitting. De strenge Calvinisten waren er eerst de baas en nog tijdens het Bestand is Enkhuizen fel Contra-Remonstrants. Maar daarna heerst ook hier de regenten-oligarchie, vijandig aan de prins. Vandaar dat in 1653 ernstige Oranjegezinde onlusten voorkwamen. In de 17de eeuw bleef de stad nog een belangrijke vissers- en handelsplaats: in 1632 telde het naar schatting 25 à 30 000 inw. (ca 3600 huizen), er zetelde een admiraliteit (beurtelings aldaar of in Hoorn) en er was een Kamer voor de O.I. Compagnie en een voor de W.I. Compagnie. Maar in de 18de eeuw verplaatste zich de handel geheel naar Amsterdam, het zielental liep terug van ca 12 000 in 1732 tot ca 5000 in 1840; tussen 1736 en 1836 werden ca 1600 huizen gesloopt. In de 19de eeuw verliep ook de haringvisserij, doch omstreeks 1870 begon de zaadteelt en zaadhandel op te komen, eerst bescheiden, maar geleidelijk zich ontwikkelende tot een groot bloeiend bedrijf met veel export. De visserij op de Zuiderzee veranderde van karakter na de afsluiting (1932); thans wordt op het IJselmeer vooral paling en snoekbaars gevangen.

Lit.: F. Allan, De stad E. en hare geschiedenis (1856); T. Knuivers, Oud-E. (1872); G. Brandt, Historie der vermaerde zee- en koop-stadt Enkhuisen (1666, 2de dr. met een verv. verm. d. S. Genten ( 1747) ; J- Theunisz, Het stadhuis te E., diss. Amsterdam (1927); D. Brouwer, Gids voor E. (1932); Idem, Tweede vervolg v. d. Historie v. E. (1938); H. D. Baars, De IJselmeerstad E., in: Sociaal-geografische mededelingen (1944), 93-128; J. Fransen, Schoon E. (2de dr. 1946, Heemschutserie nr 42); D. Brouwer, E. Aantekeningen uit het verleden (2 dln, 1946-1948, 3de deel zal nog verschijnen); K. Norel, De haringstad (1946).