Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 17-06-2022

Afstammingsleer

betekenis & definitie

(descendentieleer, transformatie- of transmutatietheorie) is de naam van de theorie, dat planten en dieren (ook mensen) zich in de loop der tijden uit eenvoudiger vormen ontwikkeld hebben tot hun huidige gedaante en dat de verschillende soorten niet afzonderlijk geschapen zijn. Voorloper dezer theorie is Anaximander (610-546 v.

Chr.), die veronderstelde, dat de kosmos zich geleidelijk geëvolueerd heeft uit chaos, het leven uit stof en hogere dieren uit lagere. Eerst in de 19de eeuw kreeg de theorie een wetenschappelijke fundering door de publicaties van De Lamarck „Philosophie Zoologique” (1809), Charles Lyell, „Principles of Geology” (1830-1833), de Engelsen Erasmus Darwin (grootvader van Charles), en Robert Chambers, de Fransman Etienne Geoffroy St. Hilaire, de Duitsers Oken en Unger, maar vooral door Charles Darwin „On the origin of species by means of natural selection” (1859). Tot de verbreiding droegen bij in Duitsland Ernst Haeckel, die de eerste dierenstamboom trachtte op te zetten en de grondlegger der phylogenie of afstammingsgeschiedenis is (sinds 1866) en de Engelse zoöloog Th. H. Huxley (sinds 1863), in Nederland de Utrechtse hoogleraar P. Harting (1862) en Hugo de Vries. Tot de bekende tegenstanders behoren de zoöloog A. Fleischmann uit Erlangen en de botanicus uit Lund N. Heribert-Nilsson, die in 1941 concludeerde, dat Linné terecht de onveranderlijkheid van plant- en diersoorten heeft verdedigd.Bewijsvoering.

Ter staving der theorie wijzen voorstanders op resultaten der

1. palaeontologie (wetenschap der uitgestorven en versteende levende wezens), welke vormen heeft ontdekt, die een overgang tussen mensen en apen vormen (z Hominiden) en aantoont, dat de soorten van dieren en planten uit vroegere geologische perioden verschillen van de thans levende en dat de afwijkingen groter worden naarmate de periode ouder is. De organismen bezitten in de oudere aardlagen in het algemeen een eenvoudiger organisatie dan de later optredende planten en dieren. Van de gewervelde dieren vindt men de oudste representanten (Ostracodermata, verwant aan de prikken) reeds in het onder-siluur (Ordovicium), maar in het boven-siluur (Gotlandium) bereiken zij pas een hoge ontwikkeling. Eigenlijke vissen treden het eerst op in het onder-siluur, amphibieën in het devoon, reptielen in het carboon, zoogdieren en vogels in het Jura-tijdperk. Ook is een aantal fossielen bekend, die als tussenvormen beschouwd kunnen worden tussen twee groepen, die in de recente dierenwereld duidelijk gescheiden zijn. Een bekend voorbeeld hiervan vormt een merkwaardige vogelgroep uit het Jura-tijdperk, waarvan slechts twee soorten bekend zijn, terwijl van ieder der beide soorten slechts één exemplaar gevonden is (Archaeornis siemensi en Archaeopteryx macrura). Zij bezitten een lange staart met talrijke wervels en voorzien van een dubbele rij van staartveren. De hand heeft drie vrije vingers, voorzien van klauwen en ook de middenhandsbeentjes zijn zelfstandig, terwijl bij alle andere vogels de vingers niet vrij uitsteken en de middenhandsbeentjes aan beide uiteinden met elkaar vergroeid zijn. De kaken hebben tanden. Hoewel deze vormen tot de vogels gerekend moeten worden, bezitten zij dus verschillende reptielenkenmerken (lange staart, vrije vingers met vrije middenhandsbeentjes, tanden), die het waarschijnlijk maken, dat de vogels van reptielen afstammen.
2. De vergelijkende anatomie, die talloze waarnemingen slechts met behulp van de afstammingstheorie kan verklaren. In bepaalde grotere of kleinere groepen is dikwijls een orgaan volgens een bepaald schema gebouwd, maar op de meest verschillende manieren gevarieerd en uitgewerkt. Zo vindt men dezelfde skelet-elementen terug in de hand van alle viervoetige dieren (Tetrapoda), maar deze skeletdelen zijn van zeer verschillende bouw, bijv. bij kikvors, hagedis, vogel, tijger, walvis, mol, mens enz., in verband met de functie, die de hand heeft te vervullen (lopen, zwemmen, graven, grijpen enz.). De eenvoudigste verklaring van dit verschijnsel is, 1° dat alle Tetrapoden afstammen van een zelfde oorspronkelijke stamgroep, die een handskelet bezat, opgebouwd uit de bekende delen in eenvoudige vorm en 2° dat naar gelang van de verschillende functies dit skelet zich in de loop der afstammingsgeschiedenis in verschillende richtingen heeft gewijzigd. Ook de vergelijking van rudimentaire organen wijst in deze richting. Vooral bij den mens zijn vele organen te vinden, die vroeger sterker ontwikkeld moeten zijn geweest, bijv. de weinig gebruikte oorspier, waarvan de afstammingstheorie aanneemt, dat zij een belangrijke functie heeft vervuld bij de voorouders van den mens, die, zoals de meeste zoogdieren, beweeglijke oren hadden. Aan de binnenooghoek komt niet zelden een halvemaanvormige plooi voor, plica semilunaris, die als rest van het zgn. derde ooglid of knipvlies moet worden opgevat. Bij de kat kan men af en toe waarnemen, hoe dit knipvlies het oog bedekt. Bij deze dieren bevat dit knipvlies een kraakbenig skelet; bij de apen is dit ook nog het geval, hoewel het vlies zelf bij deze dieren reeds duidelijk gereduceerd is. Bij negers vindt men in 75 pct van de gevallen kraakbeen, bij Europeanen in 1 pct van de gevallen, waarin een duidelijke plica gevonden wordt. Een ander voorbeeld is de plica fimbriata, een franjevormige plooi onder aan de tong ter weerszijden van het tongriempje. Deze plica is een rudiment van de ondertong, die bij halfapen en buideldieren gevonden wordt. Andere voorbeelden zijn het orgaan van Jacobson, dat bij verschillende zoogdieren als deel van het reukapparaat goed ontwikkeld is en bij den mens rudimentair gevonden is; het wormvormige aanhangsel van de blindedarm, dat bij halfapen nog een goed functionnerend deel van de blindedarm is, maar bij hogere apen en den mens van geringe betekenis is geworden. Een derde groep zijn de atavismen (atavus = voorouder). Het gaat hier om organen, die bij verschillende diervormen goed ontwikkeld zijn, bij den mens echter min of meer zelden voorkomen. Voorbeelden: meer dan een paar tepels (hyperthelie). Dit komt bij vrouwen meer voor dan bij mannen. Bij Japanse vrouwen het meest (5 pct). Ook kan de bijbehorende borstklier ontwikkeld zijn. Voorts: sterke ontwikkeling van de keelzakken, het voorkomen van een dubbelhoornige baarmoeder, enz.
3. Aan de systematiek. Individuen, die tot één soort gerekend worden, tonen onder elkaar kleine verschillen, zodat men, wat betreft de verschillende kenmerken van één soort, variatiereeksen kan opstellen. Iedere reeks reikt van de minimumwaarde van het kenmerk tot de maximumwaarde. Daartussen ligt het gemiddelde. Voor de afstammingstheorie zijn mogelijk slechts erfelijke variëteiten van betekenis (z mutatietheorie). De veranderlijkheid van de diersoorten blijkt wel uit de onmogelijkheid een scherpe grens te trekken tussen soort en ras. Tegenover een ras is een soort in het algemeen gekenmerkt door het feit, dat kruising van twee naast elkaar voorkomende soorten in de vrije natuur niet voorkomt, terwijl dit bij rassen wel het geval is. Tal van soorten onder de gewervelde dieren en insecten bestaan uit een groot aantal rassen, waarvan ieder zijn eigen geographisch gebied bewoont: B. Rensch noemt zulk een soort een rassenkring (Rassenkreis) .Van belang is, dat twee rassen, tot zulk een rassenkring behorend en ver van elkaar verwijderde gebieden bewonend (extreme rassen) zeer belangrijk van elkaar kunnen afwijken, terwijl in de tussenliggende gebieden andere rassen wonen, die een overgang tussen hen vormen. Deze verschillen kunnen groter zijn dan de verschillen tussen twee soorten en zijn lang niet altijd op onbelangrijke kenmerken beperkt. Overgangen tussen rassen en soorten bijv. in zoverre, dat bij kunstmatige bastaardering van twee extreme rassen de vruchtbaarheid der nakomelingen verminderd kan zijn, bijv. bij kruising van een faisantenras van Formosa met een ander ras van Japan. Daarentegen gelden bijv. de Europese wisent (Bos bonasus) en de Noordamerikaanse bison (Bos bison) als soorten en hun morphologische verschillen zijn niet onbelangrijk; toch kunnen zij in onze dierentuinen (Artis) onbeperkt met elkaar gekruist worden.
4. De ontwikkelingsgeschiedenis van het individu (ontogenie, embryologie) doet ons de ontwikkeling van structuren en organen kennen, die zonder de veronderstelling van dierlijke voorouders moeilijk te begrijpen zou zijn. Zo wordt bij den mens als aanhangsel van de darm een dooierzak (navelblaasje) met dooiergang aangelegd om spoedig weer te verdwijnen. Bij vogels en reptielen, die hun eieren kort na de bevruchting leggen, is de dooier, die zich in de dooierzak bevindt, noodzakelijk als voedingsstof voor het zich ontwikkelende dier. De dooierzak (navelblaasje) van het embryo van mens en zoogdieren is aanvankelijk een uiterst belangrijk bloedvormend orgaan, om evenwel achteruit te gaan als de lever de bloedvorming overneemt. Men kan zeggen: bij de zoogdieren en den mens is het navelblaasje een in de afstammingsgeschiedenis leeggeraakte dooierzak. Bij mens en zoogdieren wijzen de aanleg van een ruggestreng (chordadorsalis), die bij lagere chordaten de functie van de wervelkolom vervult, de aanleg van een staart en de aanleg van een voornier, op lager ontwikkelde voorouders. Evenzo duidt het tijdelijke bezit van kieuwzakken, kieuwbogen en -spleten op afstamming van in het water levende soorten.

Haeckel leerde dan ook in zijn zgn. biogenetische grondwet, dat de ontogenie een korte en gewijzigde herhaling is der afstammingsgeschiedenis (phylogenie) m.a.w.: in zijn individuele ontwikkeling doorloopt een diersoort in menig opzicht stadia, die herinneren aan vroegere stamvormen dezer soort. Het bovenstaande geeft daarvan een aantal voorbeelden, waaraan wij nog het volgende toevoegen. Kikvorsenlarven bezitten een staart, hetgeen klopt met de veronderstelling, dat de staartloze amphibieën (Anura) afstammen van vormen met een staart zoals de salamanders ( Urodela) .Van betekenis is ook, dat veelal een zeker parallelisme bestaat tussen de feiten der palaeontologie en der ontwikkelingsgeschiedenis (ontogenie) in zoverre, dat ontwikkelingsstadia van recente vormen overeenstemmen met toestanden, die bij uitgestorven vormen blijvend waren. Zo hebben embryonen van vogels drie vrije vingers en vrije middenhandsbeentjes evenals de reeds genoemde uitgestorven Archaeornis en Archaeopteryx. Ook de staart van vele vogelembryonen herinnert aan die dezer uitgestorven vogels, doordat de wervels van de nog betrekkelijk lange staart nog niet met elkaar vergroeid zijn en met iedere wervel rechts en links de aanleg van een staartveer correspondeert.

5. Ook geeft de Zoogeographie, de leer van de verspreiding der dieren op aarde, een aantal feiten, die alleen door de afstammingsleer een bevredigende verklaring vinden. Voorbeeld: Op Australië en Nieuw-Guinee met enige naburige eilanden komen slechts zoogdieren voor behorende tot de orde der buideldieren, terwijl andere zoogdieren ontbraken. Men kan dit verklaren door de veronderstelling, dat deze buideldieren van stamvormen afkomstig zijn, die het Australische gebied bereikten en in dit gebied phylogenetisch tot een rijke ontwikkeling kwamen, terwijl het zich losgemaakt had van het overige vasteland voordat andere zoogdieren konden binnendringen.
6. Tenslotte wijzen de voorstanders van de afstammingstheorie op de resultaten der teratologie (leer der misvormingen), die heeft vastgesteld, dat misgeboorten bij mens en dier sterke overeenstemming vertonen en verder op de overeenstemming van de verrichtingen van het lichaam bij mensen en hogere apen (bloedeiwitten, bloedgroepen, menstruatie) en op de overeenkomst der waarnemingen van psychologen bij dieren en primitieve mensengroepen.

Drie verklaringen.

Over de wijze en oorzaak van de evolutie bestaan in hoofdzaak drie theorieën: die van De Lamarck (Lamarckisme), de selectietheorie van Darwin en de mutatietheorie van Hugo de Vries.

De Lamarck leidde de soorten van elkaar af door heel geleidelijke overgangen en dacht daarbij voornamelijk aan het milieu als oorzakelijke factor. Voor de planten kan zijn betoog eenvoudig zijn: Veranderen de omstandigheden, zo veranderen ook de eigenschappen der soorten. Bij de dieren spelen factoren als het veel gebruiken of in onbruik raken van een orgaan een gewichtige rol en zelfs de behoeften en verlangens (besoins et désirs) der dieren: de giraffe verkreeg zijn lange hals, doordat zijn voorouders naar steeds hoger boombladeren reikten.

Darwin, getroffen door de opvallende resultaten van kwekers door selectie, veronderstelde, dat de natuur niet anders te werk gaat. Bij elke soort is een geweldige overproductie van kiemen, zodat slechts weinige individuen in de strijd om het bestaan zullen overleven, en dat zullen de beste zijn in de gegeven omstandigheden. Aldus komt men geleidelijk tot nieuwe soorten, beter aangepast aan het milieu. Ook bij Darwin dus weer geen scherp omlijnd soortbegrip en doelmatigheid van het ontstaande. Hiertegenover verdedigt Hugo de Vries, dat de soorten en variëteiten in de natuur constant zijn, zodat de evolutie moet hebben plaats gevonden door kleinere of grotere sprongsgewijze veranderingen, de mutaties, die naar alle richtingen kunnen optreden, zodat ook het schadelijke in de natuur, men denke eens aan de hoektanden van de Babirussa, kan worden begrepen. Hij kwam tot deze conceptie op grond van zijn Pangenesishypothese (1889), die leerde, dat men aan de soorten in de natuur een structuurformule kan toekennen, vergelijkbaar met de formules van scheikundige verbindingen. Dit sluit geleidelijke overgangen tussen de soorten uit en introduceert het principe van de discontinuïteit in de levende natuur. Een „struggle for life” in de natuur erkent De Vries evengoed als Darwin, maar hij acht alleen die tussen de moedersoort en de er uit ontstane mutaties van betekenis, niet die tussen de individuen der zelfde soort, die volgens De Vries tot niets leiden kan.

De laatste decenniën zijn bezig een band te leggen tussen de opvattingen van De Lamarck en De Vries (neo-Lamarckisme). Aanvankelijk had men een neiging te veronderstellen, dat mutaties spontaan, vanzelf, konden optreden. Tal van onderzoekingen hebben evenwel reeds aangetoond, dat door milieu-factoren, een hoge temperatuur bijv., voorts chemische invloeden en bovenal stralen van kleine golflengte, mutaties experimenteel in het leven kunnen worden geroepen.

PROF. DR J. E. W. IHLE

PROF. DR TH. J. STOMPS

DR A. DE FROE

Lit.: G. Heberer, Die Evolution der Organismen. Ergebnisse und Probleme der Abstammungslehre (Jena 1943); J. C. H. de Meijere, Erfelijkheids- en afstammingsleer, in Ihle en Nierstrasz, Leerboek der algemeene dierkunde (Utrecht 1929); L. Plate, Descendenztheorie, inHandwörterbuch der Naturwissenschaften, 2. Aufl. Bd. 2, 193; Wilhelm Bölsche, Afstamming van den mensch (1917); O. Abel, Die Stellung des Menschen im Rahmen der Wirbeltiere; J. Boeke, De afstamming van den mensch, W.B. (1913); C. Elliot Smith, Essay on the Evolution of Man (London 1924); H. J. T. Bijlmer, De stamboom van den mensch, Mensch en Maatschappij (1942); H. J. Lam, Hedendaagse opvattingen over evolutie en phylogenie, Vakblad voor biologen Juli 1943; J. P. Lotsy, Evolution by means of hybridizaion (1916); DrH. Werners, De afstammingsleer van de Menschheid (1943); Julian Huxley, Evolution. The modern Synthesis (London 1945)

Standpunt der godgeleerdheid.

De protestantse godgeleerdheid is bereid de stand der moderne natuurwetenschap ten aanzien van een eventuele wordingsgeschiedenis van het menselijk geslacht ten volle te aanvaarden. Het is onmogelijk om over datgene wat een zuiver praehistorisch karakter draagt anders dan in een vorm van verhaal, mythe of sage te spreken. De Scheppingsverhalen van Gen. i en 2 beelden in de vorm van „historisch” verhaal uit datgene, wat vóór ieder menselijk begrip en belevenis van Godswege aan den mens geschied is. Hier is de mens enkel object van het scheppende handelen Gods, en niet, zoals in alle historische beschouwing, tegelijk subject. Dat van een geleidelijke verandering of mutatie in de natuur naar de mens-vorm sprake is, doet in geen enkel opzicht iets af aan het mysterie van het mens-zijn, zijn personaliteit, als zodanig. Het genetische verklaringsprincipe moet volledig ruimte geven aan het axiologisch aspect van het menszijn. En dit laatste ontvangt alleen licht van uit de visie, dat God den mens geschapen heeft en in voortdurende activiteit steeds weer in het aanzijn roept. Ook de individuele mens ontwikkelt zich uit embryonale toestand; er is geen enkel bezwaar dit eveneens te laten gelden van het menselijk geslacht.

PROF. DR H. VAN OYEN

Lit.: E. Troeltsch, Ges. Schriften, TI, S. 227-327; A. Titus, Natur und Gott2 (1931); E. BrunDer, Der Mensch im Widerspruch (1937); K. Barth, Kirchliche Dogmatik III, I, S. 1-102.

Van Rooms-Katholiek standpunt is er geen enkel theologisch bezwaar tegen de leer, dat de verschillende soorten van planten en dieren zich uit enkele of meerdere door God geschapen grondvormen zouden hebben ontwikkeld overeenkomstig de daarin door Hem gelegde mogelijkheden en krachten. Dit blijkt wel uit Augustinus’ opvatting omtrent het zes-dagen-werk als een in zes taferelen verdeelde schets der wereldvorming, welke opvatting door Thomas en Bonaventura als redelijk-mogelijke verklaring werd aanvaard. Ook kunnen de zes scheppingsdagen worden opgevat als zes langere perioden. Anders is het, wanneer ook de mens in de evolutieleer wordt betrokken. Vooreerst kan van een ontwikkeling zijner geestelijke ziel uit het stoffelijke niet worden gesproken en veronderstelt het ontstaan hiervan een onmiddellijk ingrijpen van den Schepper. Van R.K. zijde wordt daarom vastgehouden aan een „afzonderlijke schepping van den mens”, terwijl bij de tegenwoordige stand der wetenschappelijke onderzoekingen nog geen voldoende reden bestaat om af te wijken van de letterlijke en voor-de-hand-liggende zin van het bijbelverhaal, dat God bij de schepping van Adam (aardse of aard-man) voor de vorming van diens lichaam levenloze stof („het slijk der aarde”) heeft gebruikt. Ook aan de vorming van de eerste vrouw uit den eersten man (tevens symbool der onverbreekbare eenheid van het huwelijk) moet worden vastgehouden.

PROF. DR I. J. M. VAN DEN BERG

Lit.: P. J. M. Heskes, Het evolutievraagstuk (Hilversum 1934) 45-56.