Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

ERASMUS

betekenis & definitie

(pagina mist)

Als monnik in het klooster Steyn (bij Gouda) van de Reguliere Kanunniken van St Augustinus vond hij aanvankelijk wat hij daar vooral zal hebben gezocht: gelegenheid tot studie, met name van het Latijn. Door zijn geniale aanleg (hij was ook in de schilderkunst bedreven) ontwikkelde hij zich tot een bekwaam latinist. Uit brieven aan vrienden (o.a. de dichter-historicus Cornelius Aurelius) blijkt zijn deugdelijke kennismaking met de klassieke schrijvers, maar ook met humanisten van de 15de eeuw, Valla e.a., die hij weldra in het schrijven van zuiver en elegant Latijn overtrof. Van religieuze aspiraties blijkt in die tijd weinig, al is hij in 1492 tot priester gewijd. Op de duur voelde hij zich door de kloostersfeer beëngd, en het was hem een bevrijding toen hij in 1493 een tijdelijke betrekking kreeg als secretaris van de bisschop van Kamerijk, welke hij dankte aan zijn toen reeds aanzienlijke kennis van het Latijn. In die tijd schreef hij zijn eerste grote werk: Antibarbari, een dialoog, eerst in 1520 gepubliceerd. In 1495 kreeg hij van de bisschop verlof en een kleine toelage om aan de universiteit van Parijs te studeren. Hij vond er omgang met humanisten van naam, bekwaamde zich in het Grieks en werd er versterkt in zijn af keer van de middeleeuwse scholastiek. Zijn levensomstandigheden waren ondertussen moeilijk; aan de sobere, harde levenswijs in het collége Montaigu schreef hij later zijn zwakke gezondheid toe, en zijn financiële toestand was zeer bekrompen. Door fatsoenlijke bedelarijen en vleierijen bij aanzienlijke personen moest hij zich de nodige gelden verschaffen; zoiets gold in die tijden niet bepaald als vernederend maar hij heeft het toch wel als een zeer pijnlijke noodzakelijkheid ondervonden.

Betere kansen deden zich voor, toen hij in 1499 in het gevolg van een jonge aanzienlijke leerling, Lord Mountjoy, naar Engeland kon gaan. Dit verblijf is voor hem van ingrijpende betekenis geweest. Hij maakte er kennis met Thomas Morus, met wie een nauwe vriendschap hem bleef verbinden, en met de latere deken van St Paul’s John Colet, humanist als hij, maar juist door zijn humanistische studies in aanraking gekomen met het Nieuwe Testament in zijn Griekse grondtekst, niet zoals scholastieke geleerden en dogmatici het uitlegden, maar zoals het in oorspronkelijke bewoordingen rechtstreeks getuigde. De omgang met Colet, humanist en gelovige, betekende voor Erasmus een — geleidelijke — bekering; voortaan richtte zijn belangstelling zich op de gedenkstukken van de Christelijke Oudheid, naar vorm en inhoud.

Toch werd hij de klassieke Oudheid niet ontrouw. Het bleek uit de uitgave van zijn Adagia, een verzameling van 800 Latijnse spreekwoorden met literaire toelichting, later in herhaalde uitgaven nog voortdurend uitgebreid. Het was het begin van zijn wereldroem, straks vermeerderd door zijn Colloquia, Samenspraken, literaire schetsen aan het dagelijks leven ontleend, even geestig van inhoud als sierlijk van vorm. Als religieus schrijver maakte hij naam met zijn Enchiridion militis christiani, Handboek (of ponjaard) van de christenstrijder, een opwekking tot een zuivere, bijbelse theologie welke daardoor ook directe vroomheid is, het wapen tegen zonde en verleiding. Er volgden nu, na het korte verblijf in Engeland, jaren van reizen en trekken, van verblijf in centra van wetenschap, van bibliotheekbezoek en jacht op oude handschriften. Van 1506-1509 was hij in Italië; hij ging er om met grote geleerden en hoge prelaten, in Turijn werd hij dr theol. Langzamerhand verbeterde zijn financiële positie. Van bepaalde verplichtingen van zijn orde was hij intussen door de paus ontslagen, wat hem in 1517 op zijn dringend vertoog door paus Leo X bevestigd is. De troonsbestijging van Hendrik VIII was hem aanleiding weer naar Engeland te gaan; onderweg concipieerde hij het werk dat hem later de meeste bekendheid heeft verschaft: Encomium Moriae, Lof der Zotheid, opgedragen aan zijn vriend Morus, door Holbein geïllustreerd. Het is een luchtig voorgedragen maar diepzinnig pleidooi der Dwaasheid, dat, uitgaande van de gewone zotheden des levens, overgaat in een lofrede op al die eigenschappen en gesteldheden van mens en maatschappij, die wel is waar dwaasheden blijven voor het logisch redenerend verstand, maar die de drijfkracht vormen van gemoed, bezieling, geloof; wat de wereld dwaasheid noemt is vaak wijsheid bij God. — Van 1509-1514 is Erasmus bijna voortdurend in Engeland geweest; in Cambridge gaf hij colleges. Teruggekeerd op het vasteland bezorgde hij in Bazel bij de beroemde drukker Froben enige van zijn uitgaven, o.a. het werk dat het meest tot zijn wetenschappelijke roem heeft bijgedragen: een Griekse tekstuitgave van het N.T. (1516), naar de beste, voor een deel nieuw opgespoorde handschriften. Zij is 3 eeuwen lang grondslag gebleven van alle nieuw-testamentische studie.

Van 1517-1521 woonde hij in Leuven, waar hij voeling hield met de universiteit. Hoewel de eerbewijzen hem van alle kanten: vorsten, prelaten, geleerden, begonnen toe te stromen (de keizer benoemde hem tot Raad) werden deze jaren steeds moeilijker. Luther en de zich uitbreidende Hervorming brachten een beweging, waartoe hij indirect en onopzettelijk had meegewerkt, door zijn critiek op kerkelijke misstanden, zijn ijveren voor een gezuiverde theologie en bijbelse vroomheid. De hervormingsgezinden beschouwden hem als een van de hunnen; zo deden ook Ulrich von Hutten, Albr. Dürer, Luther zelf. Maar Erasmus wilde geen partij kiezen; zijn bedoeling was nooit kerkscheuring geweest, wel (desnoods ingrijpende) kerkzuivering; voor Luther gevoelde hij sympathie, voor zover deze „hervormen” wilde naar het model van oorspronkelijke apostolische vroomheid. Aan de andere kant beschouwden de conservatieve Roomse theologen, de monniken, die hij door zijn spot getroffen had, hem als de eigenlijke bewerker van de Hervorming. Hoewel voorzichtig van aard werd hij in deze niet alleen door vrees gedreven; ook zijn standpunt was principieel, doch kwetsbaar naar twee kanten. Bezorgdheid voor zijn veiligheid deed hem in 1521, toen de aanvallen van de monniken heviger werden, naar Bazel verhuizen, de stad waar wel een reformatorische geest heerste, maar ook het humanistisch ideaal en de studie van de „goede letteren” in ere waren. Nog koos hij geen partij, maar eindelijk zwichtte hij voor de aandrang (o.a. van Hendrik VIII) en schreef hij tegen Luther zijn De libero arbitrio, Over de vrije wil (1524), door deze prompt beantwoord met De servo arbitrio, Over de gebonden wil, en hiermee waren de standpunten voorgoed afgebakend. Voortaan gold hij als te behoren tot het Roomse kamp, maar hij bleef er een lauw partijganger,weinig clericaalen eigenlijk steeds vasthoudend aan zijn „katholieke” verdraagzaamheid. Toen in Bazel de Hervorming in de kerk werd ingevoerd verhuisde hij naar Freiburg; zijn lichamelijk lijden nam toe, maar zijn productiviteit verminderde niet. Gedurende een als tijdelijk bedoeld verblijf is hij 12 Juli 1536 te Bazel in Froben’s huis overleden.

Zijn roem als geleerde is tot op heden niet vergaan. Zijn werken vullen 10 folio delen, waarbij nog komen zijn uitgaven van kerkvaders. Dat Latijn en Grieks het terrein van zijn wetenschap vormden plaatste hem vooraan in de rijen van de Renaissance. Met alle groten en geleerden stond hij in briefwisseling (deze is voor een groot deel bewaard en in de laatste tijd opnieuw uitgegeven door de Engelse Erasmus-kenner Allen). Daarnaast is vooral in latere eeuwen aandacht gewijd aan zijn betekenis als hervormer van godsdienst en kerk. Hij nam daar een eigen standpunt in van evangelische Katholiciteit, van bijbels Christendom, minder dogmatisch, meer zedelijk georiënteerd, in gehoorzaamheid aan de evangelische geboden. In een onverdraagzame tijd was hij de apostel van de verdraagzaamheid. In de felle strijd van Reformatie en Contra Ref. is deze richting vaak overstemd; eerst in de 19de eeuw heeft men groter aandacht gewijd aan dit Bijbels Humanisme en zijn synthetische strekking. Maar hier te lande werd dit standpunt reeds ingenomen door Grotius (Hugo de Groot), en het heeft er zijn invloed geoefend op de latitudinaire geestesstroming, die matigend optrad tegen de felheid van de gereformeerde predikanten. Ook in de Kerk van Engeland is zijn invloed altijd groot geweest. Zijn geestesbeschaving uitte zich ook naar de practische zijde; hij drong aan op zedelijk leven, streed tegen de dubbele moraal, die een vrouw dubbel zwaar aanrekent wat zij in een man vergoelijkt, ijverde voor hygiëne, goede manieren, opende nieuwe wegen voor een gezonde paedagogie en voor een natuurlijke ongekunstelde levenswijs. Zijn karakter is veel aangevochten; een heldenof martelaarsnatuur bezat hij niet (wat hij zich zeer wel bewust was); zijn bedachtzaamheid grensde wel eens aan het onoprechte. Maar de tijdsomstandigheden waren hem ongunstig en een zwakke gezondheid werkte zijn egocentriciteit in de hand. Een hogere, principiële eerlijkheid heeft hem altijd verboden naar rechts of links uit te wijken; het beste, dat in hem was: zijn liefde voor de letteren, voor geestesbeschaving, zuivere zeden, zijn vrijheidsliefde heeft hij nooit verloochend. Zijn pen kon scherp zijn, de grondtoon van zijn karakter was zachtmoedig. Eerzuchtig was hij niet, hoewel gesteld op erkenning van zijn verdiensten, maar hoge waardigheden in kerk en staat heeft hij afgewezen omdat hij zijn vrijheid als mens en geleerde boven alles stelde. Boven strijd van mensen en meningen bleef hij in zijn verdraagzaamheid „de innig oprechte prediker van die zachtmoedigheid, die de wereld nog zo bitter nodig heeft” (Huizinga). PROF. DR J. LINDEBOOM

Bibl.: Opera omnia ed. Clericus (10 dln, Lugd. Bat. 1703-1706); Opus epistolarum Erasmi ed. P. S., H. M. Allen et H. W. Garrod (11 dln, Oxford 1906-1947); Opuscula ed. W. K. Ferguson (’s-Gravenhage 1933); De Lof der Zotheid, vert. d. J. B. en A.H. Kan (Amsterdam 41934); Een twaalftal Samenspraken van E., uit het Lat. d. N. J. Singels (Amsterdam 1916, gevolgd door een 2de, 3de, 4de twaalftal d. S. Sobry, 1913-’39); De Lof der Zotheid, Lat. teksten vert.,ed. A. Dirkzwager en A. G. Nielson (Amsterdam 1949). Een volledige bibliografie v. E.’s werken is nog niet verschenen. Als onderdeel v. d. Bibliotheca belgica verschenen 5 dln v. d. Bibliotheca erasmiana, d. F. Vanderhaeghen (Gent 1897-1907), verder 2 afl. v. d. Bibliotheca erasmiana Rotterdamensis, d. G. de Vreese (Rott. 1936—*41). Summiere over-zichten geven: Bibliotheca erasmiana, d. F. Vanderhaeghen (2 series, Gent 1893), Overzicht v. d. werken en ui tg. v. E. in de Bibl. v. Rotterdam (1936) en Gat. v. geschr. over leven en werken v. E. in de Bibl. v. Rotterdam (1936).

Lit.: J. Huizinga, Erasmus (4Haarlem 1947); J. Lindeboom, Erasmus (Leiden 1909); Idem, Het bijbelsch Humanisme (Leiden 1913); F. Seebohm, The Oxford Reformers (4London 1913); Preserved Smith, Erasmus (New York London 1923); P. S. Allen, The age of Erasmus (Oxford 1914); A. Hyma, The youth of Erasmus (Ann Arbor 1930); J. B. Pineau, Erasme, sa pensée religieuse (Paris 1924); A. Renaudet, Erasme (Paris 1926); Voordrachten gehouden t. herd. v. d.sterfdag v. E. te Rotterdam (’s-Gravenhage 1936); Renaudet, Etudes érasmiennes (Paris 1939).

ICONOGRAFIE.

Van de talloze copieën, die in Erasmus’ dagen naar portretten van hem in omloop waren, stammen de originelen van grote kunstenaars: Quinten Matsijs, Hans Holbein en Albr. Dürer. Q,. Matsijs voltooide een dubbelportret van de geleerde met diens Antwerpse vriend Pieter Gilles, bestemd voor Thomas More, in Sept. 1517; een gedeelte van het oorspronkelijke werkt m. de helft met Gilles’ conterfeitsel, is bewaard (Longford Castle), van Erasmus’ beeltenis resten slechts zeer inferieure copieën. Wel bezit men nog de medaille („Quintinus” gesigneerd),die Matsijs van Erasmus heeft gemaakt, en die Erasmus zelf dermate bevredigde, dat hij er nog na vijf jaar koperen afgietsels naar liet maken. Te Bazel illustreerde Hans Holbein een exemplaar van Lof der Rotheid met vlotte penkrabbels (Bazel, Kunstmuseum) en maakte diverse portretten van Erasmus: drie geschilderde conterfeitsels uit 1523 (resp. Bazel, Louvre, Longford Castle), later nog enige portretten, die veeleer als replieken van de vorige zijn te beschouwen, eindelijk een monumentale houtsnede, de geleerde ten voeten uit tonende en die lang de grootste populariteit genoot. Van de beide tekeningen van Erasmus, die Dürer in het dagboek van zijn Nederlandse reis vermeldt, is slechts één, uit 1520 (Parijs, part. coll.), bewaard; het geheel strookt echter weinig met het beeld dat wij uit Holbein’s beeltenissen van Erasmus ontvangen; hetzelfde geldt ook voor Dürer’s gravure uit 1526, waarvoor Erasmus niet of nauwelijks kan hebben geposeerd.

Lit. Haarhaus, Die Bildnisse des E. v. Rotterdam (Ztschr. f. bild. Kunst 1899); A. Machiels, Les portraits d’Erasme (Gaz. d. Beaux Arts, LIIÏ, 1911, 2); E. Tietze-Gonrat, E. v. Rotterdam en de beeldende Kunst (Wenen 1936); Fr. van Thienen, Portr. van E. (De Gids 1936).