Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 17-06-2022

Aardkorst

betekenis & definitie

(lithosfeer, steenschaal). De bovenste grens van de aardkorst is gemakkelijk te bepalen, het is de grens ten opzichte van de atmosfeer of ten opzichte van het oceaanwater.

Tot de aardkorst behoren alle ons bekende gesteenten op aarde; dat zijn dus stollingsgesteenten, sedimenten en metamorfe gesteenten. Nu is bekend, dat de temperatuur in de aarde naar binnen toeneemt (z aarde). De meeste gesteenten, die wij kennen, smelten bij gewone druk beneden 1260°. Volgens O. Schmiedel treedt deze temperatuur in 40-45 km diepte op. Volgens L. H. Adams echter pas op 95 km diepte. De onderste grens van de aardkorst plaatsen wij daar, waar de latent-magmatische toestand heerst, d.w.z. een toestand, waarbij de temperatuur zo hoog is, dat bij drukontlasting de stof in de gloeiend vloeibare toestand d.w.z. in magma overgaat. Het is de vraag op welke diepte deze toestand optreedt, omdat in de diepte ook de druk hoger is en drukverhoging medebrengt een verhoging van de smelttemperatuur. Gutenberg (1945) meent, dat alle gesteenten van de aardkorst op 80 km gesmolten zijn. Hij onderscheidt onder de continenten, in de diepte volgend onder de sedimenten, eerst een granitische laag, dan intermediaire lagen, die op 60-70 km diepte ophouden in een discontinuïteitsvlak, dat naar den seismoloog Mohorovicic genoemd is. Daaronder zou dan ultrabasisch materiaal in kristallijne toestand optreden, dat op 80 km diepte in de amorphe toestand overgaat. Overigens is het waarschijnlijk, dat de aardkorst onder de continenten dikker is dan onder de oceanen, hetgeen met de leer der isostasie verband houdt.De scheikundige samenstelling der aardkorst is door Clarke en Washington berekend voor een aardkorst van 16 km dikte. Zij gingen daarbij van de veronderstelling uit, dat die 16 km bestaan uit 95 pct stollingsgesteenten (+ kristallijne schisten), 4 pct leisteen, 0,75 pct zandsteen en 0,25 pct kalksteen.

Het blijkt dus, dat acht elementen de ons bekende aardkorst bijna geheel opbouwen en daarvan zijn zuurstof en silicium verreweg de belangrijkste.

PROF. DR B. G. ESCHER

Lit.: F. W. Clarke and H. S. Washington, The composition of the earth’s crust. U.S. Geological Survey. Professional paper 127 (Washington 1924); L. H. Adams, Temperatures at moderate depths within the earth. Joum. Washington Academy of Sciences, Vol. 14 (1924)» P- 459-472; B. Gutenberg, Der Aufbau der Erde (Berlin 1925); H. S. Washington, The chemical composition of the earth. American Journ. Science. Vol. IX (1925), p. 35I-378; O. Schmiedel, Das Alter der Erde nach dem Abkühlungsprozess (Berlin 1927); Fr. Behrend und G. Berg, Chemische Geologie (Stuttgart 1927); B. Gutenberg, Seismological Evidence for Roots of Mountains. Bull. Geol. Soc. America. Vol. 54, pp. 473-498 (1943); Id., Variations in physical properties within the Earth’s Crustal Layers. Amer. Joum. Science Vol. 243-A, pp. 285-312 (1945).

< >