Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 06-08-2022

Stollingsgesteenten

betekenis & definitie

ontstaan door binnendringen (intrusie) van magma uit het substratum in de aardkorst en door uitpersing (extrusie), ook uitvloeiing (effusie) genoemd, van magma aan de oppervlakte der aarde. De intrusiegesteenten worden in dieptegesteenten (abyssische gesteenten) en ganggesteenten (hypo-abyssische gesteenten) verdeeld.

De eerste stollen in holten in de aardkorst, vermoedelijk door rek in horizontale richting ontstaan. De zo gevormde lichamen van stollingsgesteente heten batholieten en laccolieten en bevatten vooral graniet, syeniet of dioriet, soms gabbro. De ganggesteenten ontstaan door stolling van magma, waarin gewoonlijk reeds fenokristen aanwezig zijn, in spleten in de aardkorst. Typische ganggesteenten zijn o.a. granietporfier, syenietporfier, diorietporfieriet, gabbroporfieriet, die scheikundig in samenstelling min of meer overeenkomen met de genoemde dieptegesteenten. Daarnaast zijn echter ganggesteenten bekend, die meer Si02 (zure) en zulke, die minder Si02 (basische) bevatten, dan het bijbehorende dieptegesteente. De eerste heten aplieten, de laatste lamprofieren. Zij worden verondersteld door differentiatie van magma te zijn ontstaan.Apliet is een fijnkorrelig ganggesteente, dat rijk aan SiO2 is. Lamprofier kan zowel fijn- als grofkorrelig zijn. Een grofkorrelig zuur ganggesteente heet pegmatiet. Pegmatiet en apliet kunnen dezelfde scheikundige samenstelling bezitten. Lamprofieren dragen talrijke namen, o.a.: minette, vogesiet, kersantiet, odiniet al naar de mineralogische en scheikundige samenstelling, die zij bezitten. Voor een deel der uitvloeiingsgesteenten bestaat een dubbele nomenclatuur, omdat men vroeger meende, dat zij in twee bepaalde perioden van de geschiedenis der aardkorst waren ontstaan:

1. in het carboon en perm en
2. tertiair of later.

Zo heten uitvloeiingsgesteenten (die dus als lava’s te voorschijn getreden zijn), die dezelfde scheikundige samenstelling als graniet bezitten, kwartsporfier wanneer zij oud, lipariet wanneer zij geologisch gesproken jong zijn. Porfieriet (oud) en andesiet (jong) bezitten dezelfde scheikundige samenstelling als het dieptegesteente dioriet; bazalt (jong), melafier (oud) en diabaas (jong) dezelfde scheikundige samenstelling als gabbro. Naast de stollingsgesteenten, die boven genoemd werden en die alle tot de kalk-alkali-gesteenten behoren, zijn er ook bekend, die rijker aan Na en K zijn en die alkali-gesteenten heten. Zij dragen of de reeds genoemde namen met het voorvoegsel alkali (alkaligraniet, alkalisyenietporfier) óf nieuwe, zoals leucitofier, fonoliet, limburgiet enz. z gesteenten.

PROF. DR B. G. ESCHER.

< >