Alpen betekenis & definitie

Alpen noemt men in het algemeen gebergten, die geen enkelvoudige ketens vormen, maar uit afzonderlijke groepen zijn zamengesteld, zoodat zij zich niet alleen over eene aanzienlijke lengte, maar ook over eene aanmerkelijke breedte uitstrekken. De afzonderlijke bergen zijn er door zadelvormige diepten of door smalle bergruggen verbonden. Op hun breeden grondslag rijzen zij dikwerf boven de sneeuwlijn omhoog.

Hunne hellingen zijn van diepe kloven doorploegd en voorzien van steile, vaak loodregt afdalende wanden, oorspronkelijk ontstaan door scheuren in het opgestuwd gesteente. Alpen bestaan derhalve uit een groot aantal kleinere gebergten, die één voor één wederom uit een onbepaald aantal bergen zijn zamengesteld. Zij worden gewoonlijk genoemd naar het land of gewest, waar zij zich verheffen. Zoo heeft men de Zwitsersche Alpen (Berner, Graauwbunder enz. Alpen), de Italiaansche, Savooische en Piémontésche Alpen, de Tyroolsche, Salzburgsche, Carinthische en Stiermarkensche Alpen, de Siebenburger Alpen, de Skandinavische Alpen, die allen in Europa gelegen zijn, de Abessinische Alpen in Afrika, de Noordwestelijke Alpen in Amerika, de Indische en de Siberische Alpen in Azië enz.

Laatst bijgewerkt 14-11-2017