Land betekenis & definitie

Land noemt men uit een aardrijkskundig oogpunt alle deelen van de oppervlakte der aarde, welke zich boven den spiegel der zee verheffen. Die deelen vormen geenszins, zooals de zee, een zamenhangend geheel, maar zijn door haar in 3 deelen gesplitst, die wederom in werelddeelen zijn afgedeeld, alsmede in een ontelbaar aantal eilanden. De strook lands, welke aan de zee grenst, draagt den naam van kust.

Doordien het land uitspringt in zee en de zee landwaarts doordringt, ontstaan schiereilanden, landtongen, landengten, kapen, golven, baaijen en straten. Gewesten, die op aanmerkeijjken afstand van de kust verwijderd zijn, dragen den naam van binnenland.

Bepaalt men de uitgebreidheid van de oppervlakte der aarde op 9260000 □ geogr. mijl (zij is 1203 □ mijl grooter), dan beslaat de zee ongeveer 6800000 □ geogr. mijl of 73% en het land 2460000 □ geogr. mijl of 27%, alzoo weinig meer dan een vierde gedeelte. Van het land behooren ongeveer 2300000 □ geogr. mijl tot de vaste landen en 190000 □ geogr. mijl tot de eilanden. Op het noordelijk halfrond ligt 3-maal zooveel land als op het zuidelijk, — op het oostelijk 2½de maal zooveel als op het westelijk. Om die reden spreekt men van een noordoostelijk landhalfrond en een zuidwestelijk waterhalfrond. Zij zijn gescheiden door een breeden gordel, die den geheelen aardbol omgeeft en den evenaar onder een hoek van ongeveer 45° snijdt ten noordoosten van de straat van Mozambique en aan de kust van Peru. In het midden van het landhalfrond bevindt zich Europa, met de andere werelddeelen verbonden. Op het waterhalfrond daarentegen vindt men hoofdzakelijk de Australische eilanden.

De aardrijkskunde beschouwt, behalve de horizontale uitgebreidheid, ook den vorm van het land en verdeelt in dat opzigt dit laatste in laagland en hoogland, in vlakten en gebergten.