Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 07-08-2018

Geen

betekenis & definitie

Geen (Joseph Jacobus, baron van), een Nederlandsch krijgsman, geboren te Gent den 1sten September 1776, trad in 1789 als kadet bij de jagers van Dumonceau in dienst van de Staten van Brabant en begaf zich in 1791 naar Frankrijk, waar hij zich als vrijwilliger bij de Belgische jagers voegde. In 1792 werd hij tweede luitenant, woonde onder Dumouriez en Pichegru de veldtochten in Vlaanderen en Holland bij, en nam als 1ste luitenant deel aan het gevecht bij Valenciennes (1793), waar hij door een kogel aan de regterhand gekwetst werd. In 1794 ontving hij bij Doornik een sabelhouw over het hoofd en bij Waalwijk eene wond aan de knie. In 1795 ging hij in dien rang over in Hollandsche dienst en onderscheidde zich het volgende jaar in Duitschland onder Dumonceau.

Een jaar later zag hij zich bevorderd tot kapitein; in 1799 vocht hij in Noord-Holland en ontving bij Schoorl eene kneuzing aan de regterdij. Gedurende de veldtogten in Duitschland in 1805 en 1806 was hij kommandant van het 2de regement jagers, werd in 1807 luitenant-kolonel, en ontving van Koning Lodewijk de orde der Unie. In 1809 was hij als kolonel tegenwoordig bij den veldtogt in Zeeland, vertrok in 1811 naar Spanje, waar hij het kommando verkreeg over de 3de brigade der reserve-divisie bij het leger van Portugal, en verwierf er door zijne dapperheid het kruis van het Legioen van Eer, terwijl hij vervolgens tot officier dier orde benoemd werd. Na de herstelling onzer onafhankelijkheid verliet hij de Fransche dienst, en werd in 1814 aangesteld tot kolonel en bevelhebber over de bataljons infanterie, welke te Leuven georganiseerd moesten worden. In 1815 werd hij generaal-majoor, en na den slag bij Waterloo kommandant in de vesting Namen, terwijl hem in 1816 de Militaire Willemsorde 3de klasse toegekend werd. Twee jaar later bekleedde hij de betrekking van provincialen kommandant van Utrecht, en in 1819 werd hij overgeplaatst naar het leger in Indië. In 1820 trok hij met zijn zoon Matthéus, in dien tijd 2de luitenant, derwaarts, en werd er door den gouverneur-generaal aangesteld tot kommandant der infanterie en kavallerie. In 1824 en 1825 was hij opperbevelhebber van de groote expeditie naar Macassar en ging toen naar Celébes, waarna hij Boni en Soepa veroverde.

Toen hij in het laatst van Augustus, op Java teruggekeerd, berigt ontving van het uitbarsten van den oorlog, versloeg hij reeds den 15den September den vijand bij Demak. Gedurende den strijd met Dipo Negóro nam hij deel aan talrijke schermutselingen, en in 1826 redde hij zijn leven door aan de rivier Progo met een handvol volk door eene honderdmaal zoo sterke magt heen te slaan. Toen werd hij luitenant-generaal, verliet Indië in 1828, en aanvaardde in Februarij 1829 de betrekking van kommandant van het 6de groote militaire kommando, waarna hij, tevens tot kommandeur der Willemsorde benoemd, zich te Namen vestigde. Bij het uitbarsten der onlusten te Brussel (1830) verklaarde hij Namen in staat van beleg, doch was genoodzaakt de stad en het kasteel te verlaten en zich naar 's Hage te begeven. Hij werd nu naar Antwerpen gezonden en met het opperbevel over het leger belast, hetwelk hij echter in Maart 1831 overgaf aan prins Frederik, terwijl hij het kommando aanvaardde over de eerste divisie infanterie. Nu werd hij met den titel van baron in den Nederlandschen adelstand opgenomen, en tot kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw benoemd. In 1840 door den Koning tot adjudant gekozen en in 1841 op zijn verzoek op pensioen gesteld, viel hem in 1845 de onderscheiding te beurt, dat hij bevorderd werd tot generaal der infanterie. Hij woonde gedurende zijne laatste levensjaren op Veldzigt te Rijswijk, en overleed aldaar den 10den November 1846. — Zijn eenige zoon, boven reeds vermelde Mattheus baron van Geen, werd vervolgens generaal in Nederlandsche dienst, kommandant eener brigade infanterie en buitengewoon adjudant des Konings, was ridder der Nederlandsche orde, en overleed in 1865.