Gepubliceerd op 14-03-2021

Vogels

betekenis & definitie

Aces, klasse der Gewervelde dieren. De V. zijn eierleggende, warmbloedige werveldieren met hoornigen snavel, bevederd lichaam en twee paren ledematen, waarvan het achterste paar de verrichting heeft van loopwerktuigen (pooten), terwijl het voorste paar tot vliegwerktuigen (vleugels) is ingericht.

De klasse der V. onderscheidt zich van elke andere van ?t dierenrijk door groote gelijkvormigheid der soorten, die een gevolg is van de groote overeenstemming in levenswijze. Hun lichamelijk maaksel is de volkomenst denkbare oplossing van het vraagstuk, hoe met de geringste lichaamsmassa de grootste kracht kan worden vereenigd. De kop der V. is altijd klein, in verhouding tot hun lichaam. De grootste breedte en tevens het grootste gewicht van dit laatste is tusschen de beide vleugels, die daardoor in den günstigsten stand zijn om het lichaam niet alleen te dragen, maar ook horizontaal te houden. De geringe ontwikkeling van den kop is een gevolg hiervan, dat de V. hun kaken nimmer gebruiken tot vermaling van het voedsel, maar alleen om het te grijpen, terwijl de eigenlijke vermaling in een gedeelte der maag geschiedt. Zij hebben dan ook nimmer tanden.

Alleen bij de papegaaien heeft men in den jeugdigen toestand rudimentaire, in het tandvleesch aan de binnenzijde der kaken verborgen tandjes ontdekt, die echter op lateren leeftijd verdwijnen. Wat men overigens met den naam van tanden bij de V. bestempelt, zijn niet anders dan hoekige uitsteeksels aan de kaken, meer bepaaldelijk aan de bovenkaak, die bij sommige V. voorkomen, maar met ware tanden geenerlei overeenkomst hebben. Meestal bedraagt het getal dezer uitsteeksels niet meer dan een of twee. In vroegere aardperioden moeten echter V. met tanden geleefd hebben, zooals gebleken is uit fossielen in de krijtformatie van N.-Amerika. De V. hebben geen lippen; hun kaken zijn in een snavel veranderd en zijn bekleed met een huid, die slechts bij sommigen (eenden, ganzen) week is, maar bij de meesten een harde hoornscheede vormt. Bij eenige V. (roofvogels, papegaaien, duiven) is de snavel aan den wortel bovendien nog omgeven door een zachte, dikwijls gekleurde washuid (ceroma). In den bovensnavel, dicht nabij den wortel, liggen de neusgaten.

Het skelet der V. onderscheidt zich van dat van andere gewervelde dieren doordat vele beenderen in hun holten, in plaats van merg, lucht bevatten. Men noemt dit de pneumaticiteit van het skelet. De pneumaticiteit is het grootst bij de V. welke het langst en snelst vliegen (albatros, pelikaan). In het skelet van de tot vliegen geheel ongeschikte kiwi-kiwi is geen enkel been pneumatisch; bij de struisvogels vindt men alleen in enkele schedelbeenderen holten, die met lucht gevuld zijn. Met uitzondering van het jukbeen en het schouderblad kunnen alle beenderen der V. pneumatisch zijn. De lucht dringt de schedelbeenderen rechtstreeks dooide neusholte, de Eustachische buis en de trommelhotte binnen.

In de overige beenderen daarentegen komt de lucht eerst na een omweg; door de longen gaat zij eerst naar de luchtzakken, welker holten met die der beenderen door openingen daarin gemeenschap hebben. Deze beenderen worden door deze inrichting met warme lucht gevuld. Wordt bij V., die een pneumatisch opperarmbeen hebben, dit doorgebroken en daarop de luchtpijp toegebonden, dan blijft de ademhaling en daarmede het leven voortbestaan. Blaast men bij een dooden vogel door het geopende opperarmbeen, dan wordt het stemgeluid voortgebracht. De beenderen der V. hebben betrekkelijk grootere holten en dunnere wanden dan die der overige gewervelde dieren. Ook hierdoor wordt derhalve het lichaamsgewicht verminderd.

Niettemin lijdt daaronder de stevigheid van het geraamte niet, daar de beenmassa zelve een dichter weefsel heeft; de beencellen en de vaatkanalen zijn kleiner dan bij andere gewervelde dieren. Aan de wervelkolom onderscheidt men een zeer lang en in alle richtingen bewegelijk halsgedeelte (9—24 wervels), een in meerdere of mindere mate stijf en onbuigzaam rompgedeelte (6—10 wervels) en een kort, slechts weinig bewegelijk staartgedeelte (5—9 wervels), van welke de laatste wervel vertikaal opgericht en zijdelings samengedrukt is voor de bevestiging der spieren van de stuurpennen. Het bekken der V. beantwoordt geheel aan hun bijzondere levensbehoeften: achterwaarts geheel open, zoodat het ei met de brooze kalkschaal gemakkelij k passeer en kan. Zeer bewegelijk is de hals, en de vogel is daardoor in staat met zijn snavel een groot deel van zijn achterwaarts gelegen lichaam te bereiken, zijn vederen glad te strijken of, zooals de zwemvogels doen, deze te bekleeden met de vetachtige stof, die in de nabij den aars gelegen klieren wordt afgescheiden, en waardoor de aanhechting van water op het vederenbekleedsel verhinderd wordt, dit alzoo waterdicht wordt gemaakt. De lengte van den hals staat gewoonlijk in evenredigheid tot die der pooten, hetgeen ten gevolge heeft, dat de vogel staande zijn voedsel van den grond kan oppikken. Alleen de zwemvogels, die hun voedsel in het water zoeken, maken een uitzondering op dien regel, daar bij deze een zeer lange hals soms met korte pooten gepaard gaat.Bij geen andere gewervelde dieren is het verschil tusschen voorste en achterste ledematen zoo groot als bij de V. De daarin voorkomende beenderen dragen dezelfde namen als die in de ledematen van mensch en zoogdieren. Het opperarmbeen is bewegelijk ingeschakeld in de gewrichtsholte, gevormd door het samenkomen van de beide sleutelbeenderen met het zeisvormige schouderblad. Het langste en sterkste been van den vogelarm is de ellepijp; daarboven ligt het spaakbeen. De handwortel wordt gevormd door twee kleine beentjes, de middelband door twee langere en zeer smalle, die aan hun uiteinden zijn vergroeid. Aan de middelhand bevindt zich één tamelijk groote middelvinger, met twee of drie kootbeentjes, verder een tweede, uit een enkel kootje bestaande, en veelal nog een derde vinger, gewoonlijk duim geheeten, een klein zijdelingsch aanhangsel van den handwortel, bij sommige V. voorzien van een stekelvormigen nagel, terwijl de overige vingers steeds ongenageld zijn.

Door de wijze, waarop de voorarm met den handwortel verbonden is, is de beweging der hand beperkt tot aanvoering en afvoering, alzoo tot die bewegingen, welke voor het opvouwen en uitspreiden der vleugels vereischt worden. Alle vermogen tot buiging, uitstrekking, intrekking of wenteling ontbreekt aan de wreef van de hand, zoodat de nedertrekkende spieren met volle kracht de vleugels tegen de weerstand' biedende lucht kunnen bewegen. Voor het maaksel van de vleugels zie onder Vederen. De achterste ledematen, slechts moetende dienen om op te staan, te loopen of tot voortstuwing in het water, hebben een geheel ander maaksel dan de voorste ledematen. Op* het doorgaans korte, doch krachtige, schuin naar voren gerichte dijbeen volgt het scheenbeen, dat steeds het langste been der achterste ledematen is. Daarnevens bevindt zich het altijd rudimentaire kuitbeen, als een griffelvormig beentje, dat aan de buitenzijde van het scheenbeen vastgegroeid is.

Met het scheenbeen is verbonden (door een achterwaarts buigend gewricht, het hielgewricbt, suffrago, verkeerdelijk dikwijls knie genoemd) een pijpbeen, loopbeen (tarsus) geheeten, dat geacht moet worden een vereeniging van den voetwortel met den middelvoet te zijn. De teenen, gewoonlijk vier in getal, eindigen alle in nagels. Bij V., welke staande slapen, als bijv. de ooievaars, bevindt zich aan het ondereinde van het dijbeen een holte, waarin, wanneer de knie gestrekt is, een uitsteeksel van het scheenbeen derwijze sluit, dat het been, eenmaal gestrekt, vanzelf in dien stand blijft, totdat het dier daaraan een einde maakt door samentrekking der buigspierem Bij V. die zich slapende op een tak of stokje vastgeklemd kunnen houden, loopt een pees* van de dunne dijspier (musculus gracilis) over het kniegewricht heen en plant zich in aan de doorboorde buigspier der teenen, die zich achter om het hielbeen heen naar de teenen begeeft; het gevolg hiervan is dat, zoodra een vogel zich op een tak neerzet, door het gewicht des lichaams de teenen gebogen worden en zich om den tak klemmen. Het loopbeen (tarsus) heeft een hoornachtige bekleeding, welke gewoonlijk in hoekige plaatjes verdeeld is of uit aaneengevoegde wratjes bestaat. Wanneer de plaatjes onderling vergroeid zijn tot enkele onverdeelde platen, die het loopbeen van voren en terzijde geheel bedekken, dan noemt men het loopbeen gelaarsd. De dijen zijn altijd met vederen bekleed en meestal geheel tusschen vleesch en veeren verborgen, zoodat het kniegewricht uitwendig niet zichtbaar is, doch wat het benedenbeen betreft, zoo kan men de V. in twee groote afdeelingen splitsen, al naar gelang ook hun scheen tot aan het hielgewricht of nog verder met vederen bekleed,, of aan zijn benedendeel, d. i. boven het hielgewricht, naakt is.

In het eerste geval noemt men de pooten gangpooten (pedes gradarii)y in het tweede waadpooten (pedes vadantes). De gangpooten worden nog onderscheiden, volgens de onderlinge vergroeiing der teenen, in: wandelvoeten (p. ambulatorii), bij welke van de drie voorwaarts gerichte teenen alleen de middel- en buitenteen slechts aan den wortel onderling vergroeid zijn; tredvoeten (p. gressorii), wanneer deze beide tot over het midden vergroeid zijn; zitvoeten (p. insidentes), wanneer de voor te enen niet vergroeid, maar slechts door een kort vlies aan hun wortel verbonden zijn; gespleten voeten (p. fissi), welker teenen geheel van elkander gescheiden zijn. Waadpooten met een zeer lang ioopbeen heeten steltpooten (p. grallarii); die met een kort loopbeen zwempooten (p. palmnti); bij deze zijn bovendien de naar voren gerichte teenen steeds door een vlies, meestal tot aan de nagels, verbonden. Ontbreekt aan de steltpooten de duim, dan noemt men deze looppooten (p. cursor ii). Gehechte voeten (p. colUgati) heeten die steltpooten, waarbij drie voorteenen slechts aan den wortel door een kort vlies samenhangen, half gehechte voeten (p. semicolligati) die waarbij alleen de beide buitenste aldus verbonden zijn. Ook bij de zwemvoeten strekt het verbindende vlies zich niet altijd uit tot aan de spits der drie voorteenen; reikt het slechts tot op de helft der teenen, dan spreekt men van halve zwemvoeten (p. seniipalmati). Is ook de achterteen naar voren gekeerd en opgenomen in het gemeenschappelijk zwemvlies, dan noemt men de voeten roeivoeten (p. stegani).

Het lichaam der V. is bekleed met een dunne huid, wier aanhangsels, de vederen (zie ald.) met het haar der zoogdieren overeenkomen, doch veel samengestelder zijn. De sptjsverteringsorgeinen veroorloven een sterke voeding, noodig met het oog op de snelle stofwisseling; het darmkanaal is betrekkelijk kort (3—5 maal de lichaamslengte; zie voorts bij Darmkanaal). De V. hebben speekselklieren, in verschillend aantal bij de onderscheidene soorten; het speeksel dient, behalve tot vermenging met de spijs, bij sommigen (zwaluwen) ook bij den nestbouw. Buikspeekselklier en lever zijn steeds groot; de laatste is gewoonlijk in twee lobben gescheiden, tusschen welke de galblaas gelegen is. Het hart der V. is betrekkelijk groot en komt in maaksel overeen met dat der zoogdieren; slagaderen en aderen zijn in het algemeen groot en ruim en de geheele bloedsomloop is bij de V. sneller dan bij de zoogdieren, zoodat zij ook een hoogere eigen warmte hebben dan deze laatste (zie voorts bij Bloedvaatstelsel). De ademhalingsorganen zijn hoog ontwikkeld.

De luchtpijp (trachea) is altijd lang, dikwijls gewonden en ligt dan buiten op het borstbeen of in de holte van dit been. Het stemorgaan der V. bevindt zich ter plaatse waar de luchtpijp zich in haar twee hoofdtakken of longpijpen (hronchi) splitst, en draagt daarom den naam van onderste strottenhoofd (larynx infetior). Het wordt gevormd door een zijdelingsche samendrukking of een versmelting van eenige ringen van het benedeneinde der luchtpijp. Dit gewijzigde gedeelte van de luchtpijp heet de trommel (tympanum). Bij vele zwemvogels is deze blaasachtig verwijd. Door verschillende stemvliezen wordt een dubbele stemspleet gevormd, waarvan de randen door bijzondere spieren in verschillenden graad gespannen kunnen worden. Het getal dezer spieren is zeer verschillend bij onderscheidene V. Het hoogst ontwikkeld is dit strottenhoofd bij de zangvogels.

De longen zijn bij de V. niet in lobben verdeeld; zij zijn gelegen tegen de rugzijde der borstholte en daar vergroeid met het vlies, dat de rugwervels en ribben bekleedt'. Aan de buitenvlakte der longen bevinden zich openingen, die de lucht heenleiden naar een zeker aantal z.g. luchtzakken, welke op hun beurt met de holten der beenderen in gemeenschap staan (zie boven) en bij de inademing met lucht gevuld worden. Met de snelheid der voedingsverrichtingen houdt de uitscheiding gelijken tred; de nieren zijn langwerpig uitgerekt, zeer groot en liggen in de buikholte in een holte van het heiligbeen, aan weerskanten van de wervelkolom en daar dicht tegen aan. Een urineblaas komt bij de V. niet voor; de urine is dan ook geen vocht, maar een half-vloeibare brijachtige zelfstandigheid, die door de nierleiders dadelijk wordt afgevoerd naar de cloaca, die hier de gemeenschappelijke uitloozingsopening is voor de faeces, de urine en de geslachtsstoffen.

De hersenen der V. vullen de schedelholte volkomen; aan de oppervlakte komen echter geen windingen voor. Van de zintuigen is de tastzin bij de meeste V. slechts weinig ontwikkeld; hij bestaat- eigenlijk alleen bij de V., welker snavel geheel (eenden) of aan de spits (moerasvogels) met een weeke, zenuwrijke huid is bekleed. De smaak kan bij de meeste V. slechts gering zijn, daar de tong een hoornachtig bekleedsel heeft; de papegaaien met hun dikke, vleezige tong maken daarop een uitzondering. De reuk is het scherpst bij de steltloopers en dan bij de roof- en zwemvogels; de hoenderachtigen en de duiven hebben slechts een zwakken reuk. Het gehoororgaan staat bij de V. op een lageren trap dan bij de zoogdieren: in de trommelholte is slechts een enkel gehoorbeentje (columelta), dat met den stijgbeugel in het gehoororgaan der zoogdieren overeenstemt, en uitwendige ooren ontbreken (zie voorts Gehoor, dl. IV pag. 3981). Het meest ontwikkeld is het gezichtsorgaan en in scherpte van gezicht en de geschiktheid om het oog voor het zien op zeer verschillende afstanden in te stellen, overtreffen de V. alle andere dieren (zie voorts Gezicht).

De geslachtsorgaren der V. komen het meest overeen met die der kruipende dieren. De beide zaadklieren liggen vóór de nieren en zwellen tegen den periodieken broedtijd aanmerkelijk op. De slechts weinig ontwikkelde bijballen voeren naar twee gewonden zaadleiders, welke naast de urineleiders voortloopen en in de cloaca op twee kegelvormige tepeltjes uitmonden. Een roede ontbreekt in den regel; slechts bij eenige grootere roof- en moerasvogels (b.v. ooievaar), bij eenden, ganzen en zwanen, alsmede de hoenderachtige V. komt een wratachtig uitsteeksel als rudimentaire roede voor, en de struisvogels alleen bezitten een deel, dat inderdaad den naam van roede verdient. De wijfjes hebben opmerkelijk asymmetrisch ontwikkelde geslachtsorganen en in den regel is er alleen een linker eierstok, terwijl de rechter verkwijnd is; alleen eenige roofvogels hebben ook een rechter eierstok, doch deze is dan toch nog kleiner dan de linker. Gedurende den paringstijd bevat de eierstok eieren in allerlei graden van ontwikkeling; de volvormde dooier wordt, na openbarsting van het omhullend vaatviies, opgenomen door het trechtervormig einde van den eileider.

Daarin scheidt zich het eiwit af, dat den dooier omgeeft. In het benedenste, wijdere gedeelte van den eileider, ook wel baarmoeder (uterus) geheet en, vormt zich daaromheen de kalkschaal. Het ei geraakt nisdan in de nauwere, maar voor sterke uitzetting vatbare scheede, die in de cloaca mondt, en van daar naar buiten. De Y. zijn de eenige klasse van gewervelde dieren, die geen enkele levendbarende soort telt. In het door het moederdier gelegde ei vindt de zich daarin vormende vrucht al de voedingsstof, welke zij noodig heeft om tot volledige ontwikkeling te komen. Het vruchtbeginsel in het ei begint zich eerst te ontwikkelen, wanneer het ei blootstaat aan den invloed eener temperatuur, welke gelijk staat met de bloedwarmte van den vogel (35—40° C.).

Eenige V. (loophoenders) leggen hun eieren in hoopen zand en bladen, waarin, door de tot rotting overgaande plantenstoffen, de benoodigde warmte ontstaat. Alle overige V. bebroeden hun eieren, behalve eenige, als b.v. de koekoek, die hun eieren in de nesten van andere V. leggen en aan deze de bebroeding overlaten. De kleur der eieren is zeer verschillend, doch van eenzelfde soort standvastig dezelfde. De kleuring wordt teweeggebracht door de galkleurstoffen, welke met de drekstoffen in de cloaca geraken. Ook de betrekkelijke grootte der eieren is zeer verschillend; de zwemvogels leggen, in verhouding tot hun eigen lichaam, zeer groote eieren. Het aantal der achtereenvolgens voor een broedsel gelegde eieren is mede zeer ongelijk; de duiven leggen slechts twee; het meest gewone getal is vier of vijf; de hoender- en struisachtige V. leggen in den regel een grooter aantal, tot twintig toe (zie ook Eierkunde).

De meeste V. leven gepaard (roofvogels, moerasvogels, duiven, de meeste zangvogels), andere, inzonderheid de hoenderachtige V., in polygamie. Bij vele soorten verschillen de mannetjes aanmerkelijk van de wijfjes, niet slechts door aanzienlijker grootte en lichaamskracht, doch doorgaans zijn de eerste ook levendiger gekleurd; vele mannetjes bezitten huidaanhangsels (kammen, sporen), welke bij de wijfjes ontbreken of kleiner zijn. Ook is de stem bij beide seksen vaak verschillend.

Het overgroote meerendeel der V. bouwt zich een eigen woning, nest geheeten, welke vaak op de kunstigste wijze is ingericht en zoowel dient ter beschutting tegen vijanden, als om aan de eieren een zachte, de warmte slecht geleidende onderlaag te verschaffen. Tot laatstgenoemd doel bezigen vele V. hun eigen donsvederen, die zij zich daartoe uitplukken; anderen verzamelen daartoe plantaardige of dierlijke wol, mos, enz. Steeds bestaat de buitenlaag van het nest uit hardere, steviger bestanddeelen, takjes, bladeren, klei enz. Ook in het opzoeken van veilige plaatsen voor den nestbouw leggen vele V. een verwonderlijk instinct aan den dag. Eenigen bouwen in door hen zelven of door andere dieren gegraven holen; anderen bevestigen hun nest op boomen of hangen het aan de takken op, enz. Wanneer de V. gepaard leven, dan geschiedt de nestbouw gewoonlijk door de vereenigde werkzaamheid van het mannetje en het wijfje.

Ook wisselen velen elkander bij de bebroeding af, of het mannetje zoekt het voedsel, terwijl het wijfje broedt. De meeste mannelijke zangvogels zingen slechts zoolang het broeden duurt. De meeste V. broeden slechts eenmaal ’s jaars; die, welke vroeg in het voorjaar broeden, herhalen dit later nog eens, sommigen twee malen. De tijd, voor het uitbroeden der eieren vereischt, is in het algemeen des te grooter, naarmate de eieren en de zich daarin vormende jonge V. zelve grooter zijn. Zoo b.v. broeden de kolibries 12, de kanarievogels 15—18, de hoenders 21, de zwanen 40—45, de struisvogels 56—60 dagen. De jonge vogel pikt, als het oogenblik om uit het ei te kruipen daar is, van binnen zelf de schaal open.

De jongen der roofvogels, zangvogels, duiven en van het meerendeel der steltloopers en zwemvogels zijn bij hun geboorte naakt of met kleine donsvederen, z.g. nestvederen, bedekt, en moeten gedurende den eersten tijd door de moeder gevoed worden. Anderen daarentegen, zooals de hoenderachtige en struisachtige V. en de eenden, zijn reeds spoedig in staat het nest te verlaten en hun eigen voedsel te zoeken, ofschoon zij ook dan nog een tijd lang onder de hoede der moeder blijven.

Het verbreidingsgebied der V. omvat de geheele aarde. In het geheel telt men omstreeks 1600 geslachten, tezamen met circa 10.000 soorten, waarvan ruim 280 soorten in Nederland en daaronder slechts 160 soorten, die hier broeden. Gelijk bij de dieren in het algemeen, bepaalt hun lichamelijk maaksel en de aard van hun voedsel hun verblijfplaats. Klimvogels worden alleen in bosschen, moerasvogels slechts in moerassige streken, zwemvogels in of nabij de zee en andere wateren aangetroffen, terwijl daarentegen roofvogels meer overal verbreid zijn. Van de polen naar de linie neemt het getal der vormen, d. i. der soorten en geslachten, allengs toe, maar daarentegen is het getal der individuen, die tot een enkele soort behooren, nergens grooter dan in de poolstreken. Vooral geldt dit van de zwemvogels.

In Groenland behooren meer dan de helft der aldaar voorkomende vogelsoorten tot deze orde. Terwijl de zich met visch voedende vogels binnen den poolcirkel rijk vertegenwoordigd zijn, ontbreken daarentegen de insectenetende vogels in die streken, maar zijn het menigvuldigst in de keerkringsgewesten. Sommige V. hebben een zeer verre verspreiding, andere daarentegen een zeer beperkte. Ook bij de V. wordt de algemeene wet bevestigd, dat, wanneer men de fauna's der oude met die der nieuwe wereld vergelijkt, het verschil des te grooter is, hoe verder men zuidwaarts komt.

Sommige V. houden zich gedurende hun geheele leven in den omtrek der plaats op, waar zij geboren zijn; men noemt hen daarom standvogels. Zoodanigen zijn b.v. hier te lande de raaf, kraai, ekster, musch, lijster, bastaardnachtegaal, enz. Andere V. daarentegen verhuizen van het eene oord naar het andere. Geschiedt dit slechts op betrekkelijk korte afstanden en voornamelijk met het doel om een nieuwen voorraad voedsel te zoeken, dan noemt men hen zwerfvogels; zoo b.v. de spechten, de meezen, enz. Doch er zijn ook vele vogels, die regelmatig eenmaal ’s jaars van de eene streek der aarde naar de andere trekken en daarom trekvogels heeten. Dit trekken heeft altijd plaats in de richting der meridianen en derhalve van een koudere streek naar een warmere of omgekeerd, en dikwijls over zeer groote afstanden. De V. broeden dan in het eene land, maar brengen het overige gedeelte van het jaar in een ander door.

Doorgaans verzamelen zij zich daarbij in grooten getale, om den tocht gezamenlijk te doen. Het getal der trekvogels wordt des te grooter naarmate men zich van den evenaar verwijdert; in de keerkringsgewesten zelve zijn de meeste V. standvogels. Echter ontbreekt het ook daar niet aan V., die tegen den regentijd van het eene oord naar het andere verhuizen. Van de 160 vogelsoorten, die in ons land broeden, zijn slechts 17 soorten standvogels en 28 zwerfvogels, alle overige zijn trekvogels. Uit onze streken vertrekken van Aug. tot Nov.: de meeste zangvogels, de ooievaars, reigers, kwartels, zwaluwen, enz. en brengen den winter meerendeels in noordelijk Afrika, sommige tot in de nabijheid van den evenaar, door, om in het voorjaar, van einde Febr. tot het begin van Mei, weder terug te keeren. Andere V., de bonte kraai b.v. en verscheidene zwemvogels, komen gedurende den winter uit het hooge noorden tot ons, om weder in het voorjaar naar hun eigenlijk vaderland terug te keeren.

De verdeeling in stand-, zwerf- en trekvogels is niet scherp bepaald. Er zijn vogelsoorten, die in het eene land stand-, in het andere zwerf- of trekvogels zijn. Zulke afwijkingen schijnen afhankelijk te zijn van de voedselvoorwaarden, ofschoon het in het algemeen de behoefte aan voedsel niet alleen is die de V. tot trekken drijft; hun gevoeligheid voor verandering in de temperatuur speelt daarbij ook een groote rol.

De kennis van de ontwikkeling van het vogelenleven op aarde is nog zeer gering. Van geen klasse van gewervelde dieren zijn zoo weinig fossiele overblijfselen gevonden als van de klasse der V. (in het geheel nauwelijks 500 soorten). Dit is hieraan toe te schrijven, dat het vogellichaam weinig geschikt is om bewaard te blijven. De oudste vogel is gevonden in den lithographischen steen van Solnhofen (zie Archaeopteryx).

De systematiek der V. levert, wegens de betrekkelijk geringe verschillen in het maaksel bij deze dieren, bijzondere moeilijkheden op. Uitwendige kenmerken heeft men zoeken te ontleenen aan den snavel, de vleugels, de pooten; doch de daarin voorkomende verschillen zijn van ondergeschikt belang en houden onderling ook geen gelijken tred, gelijk het geval is met de overeenkomstige lichaamsdeelen bij andere dierklassen. Hetzelfde geldt van het inwendig maaksel, onder welke het borstbeen en het stemorgaan het meest de aandacht hebben getrokken. Sommigen hebben de indeeling gegrond op den toestand, waarin de jongen ter wereld komen, n.l. geheel hulpeloos of reeds bijna dadelijk in staat om het nest te verlaten en zelf voedsel te zoeken; vergelijking heeft echter geleerd, dat dit verschil in nauw verband staat tot de geheele levenswijze der betreffende V., en overigens geenerlei beteekenis heeft. Ook het verschil in den aard van het voedsel, waaraan sommigen bij de rangschikking beteekenis hebben gehecht, geeft slechts een gebrekkigen maatstaf aan de hand, daar er onder de V. zeer vele omnivoren zijn, die zich, al naar het jaargetijde, nu eens met insecten of andere kleine dieren, dan weer met vruchten of zaden voeden. Linnaeus verdeelde de V. in zes orden: Roofvogels, Raven, Zwemvogels, Loopvogels, Hoenders en Zangvogels.

Later heeft bijna elk der vele ornithologen een eigen stelsel opgebouwd; evenwel is men er nog niet in geslaagd alle V. op zulk een wijze tot familiën en grootere groepen te vereenigen, dat door die groepeering een juist beeld wordt gegeven van deze klasse van gewervelde dieren. In den laatsten tijd is men bij de rangschikking voornamelijk uitgegaan van de anatomische bijzonderheden. Naar ’t maaksel van het skelet onderscheidt men de volgende hoofdgroepen: A. Staart langer dan het lichaam: Saururae, Hagedisstaarten, of Archaeornithes, Eerste vogels. Hiertoe behoort Archaeopteryx. B.

Staart korter dan het lichaam: Ornithurae, Staartvogels, of Neornithes, Nieuwe vogels. De nadere onderverdeeling is bij ongeveer alle schrijvers verschillend; het beste overzicht van de hoofdvormen der V. geeft nog het volgende schema:

A. Gangpootvogels (het benedenbeen tot aan het hielgewricht of nog verder bevederd); orden: Roofvogels, Klimvogels, Zangvogels, Duiven, Hoenderachtigen (zie deze artikelen);
B. Waadpootvogels (benedenbeen slechts aan het bovendeel bevederd); orden: Loopvogels, Cursores (V. met krachtige, tot loopen geschikte pooten en kleine, tot vliegen ongeschikte vleugels.: dodo, struisvogel, casuaris enz.). Steltloopers, Grallatores (V. met dunne pooten met lange tarsen en tot vliegen geschikte vleugels). Zwemvogels, Natatores (V. met meer of minder achterwaarts geplaatste pooten met korte tarsen en gelobde of door een zwemvlies verbonden teenen).

< >