Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZUIVER

betekenis & definitie

ZUIVER, bn. bw. (-der, -st), vrij van alles wat er niet aan, bij of in behoort: helder, klaar: zuiver water;

— (fig.) een diamant van het zuiverste water;
— eene zuivere lucht, zonder wolken, stof, besmetting enz.;
— onvermengd: die ring is van zuiver goud;
— onvervalscht: zuivere wol, linnen; dat is daar geene zuivere koffie, niet zooals het moest wezen;
— rein, zindelijk, schoon: een zuiver glas; zuivere handen en een zuiver gezicht;
— dat huis is niet zuiver. daarin leeft ongedierte;
— die meid is niet zuiver, heeft eene venerische ziekte ; (ook) men kan haar niet vertrouwen, zij is oneerlijk;
— onbevlekt, kuisch: een zuiver leven leiden;
— oprecht, zonder achterhoudendheid: zuiver opbiechten; dat is de zuivere waarheid;
— hij heeft een zuiver geweten, hij is daaraan niet schuldig;
— uit zuivere bedoelingen, zonder bijbedoelingen;
— alleen: dit is zuiver de reden; ik doe het zuiver hierom;
— met ernst, degelijk: dat is zuivere taal, nu weet men waaraan zich te houden;
— eene zuivere uitspraak, zonder eigenaardigheden;
— eene taal zuiver spreken, zonder fouten; dat is zuivere taal, zonder fouten; zuiver schrijven;
— zonder bijtonen, juist op toonhoogte: zuiver zingen, spelen;
— na aftrek van alle onkosten: de zuivere winst; het zuiver inkomen;
— de zuivere leer, onvervalscht;
— (spr.) hij is niet zuiver in de leer, niet orthodox;
— niet zuiver op de graat zijn, niet volkomen vertrouwbaar;
— het is daar niet zuiver, niet pluis;
— (zeew.) zonder gevaar: de kust is zuiver, zonder klippen of banken; eene zuivere haven, die men gemakkelijk kan inzeilen; een zuiver alleen staande klip of rots, bij welke men ten anker kan gaan liggen. ZUIVERHEID, v. het zuiver zijn.