Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Helder

betekenis & definitie

HELDER, bn. bw. (-der, -st), luid, duidelijk klinkende, klaar zij heeft eene heldere stem; een heldere lach;

— schitterend, glanzend, klaar (van licht of kleur): eene heldere vlam; het heldere maanlicht; heldere oogen; eene heldere streep aan den hemel; eene heldere kleur; er zindelijk en frisch uitziende een heldere vloer; helder linnengoed; eene heldere meid; zij ziet er knap en helder uit;
— (zegsw.) hij zal er niet helder van afkomen, niet zonder kleerscheuren vrijkomen, hij zal er van langs krijgen;
— klaar, onbewolkt: eene heldere blauwe hemel, lucht; het is helder weer;
— klaar, doorzichtig: helder glas; heldere jenever (of brandewijn), jenever enz. zonder toevoeging van iets anders;
— dat water is zoo helder als kristal, zuiver helder;
— gemakkelijk te doorzien, duidelijk een helder betoog; die zaak is mij niet helder;
— zoo helder als glas, zeer helder;
— dat is zoo helder als modder, als koffiedik, zeer onduidelijk, allesbehalve helder;
— klaar, scherp van verstand hij heeft een helder oordeel; ’t is een heldere kop, iem. met een helder verstand;
— de krankzinnige heeft van tijd tot tijd heldere oogen blikken, waarin zijn geest niet verward is;
bw. op helderen toon zing maar helder op; zij zong helder uit de borst; met helderen glans het vuur brandt helder; de zon schijnt helder; iets helder inzien, duidelijk, op scherpe wijze;
— (als nadere bepaling bij kleuren) helder wit, helder geel, helder groen;
— hij kreeg helder voor zijn broek, een flink pak slaag.