Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Diamant

betekenis & definitie

DIAMANT, (o. als stofnaam), m. als voorwerpen. (-en), buitengewoon hard, meestal doorzichtig en kleurloos edelgesteente, zuivere gekristalliseerde koolstof;

— een diamant van 'i eerste (zuiverste) weder, volkomen doorzichtig en zonder eenig gebrek; een ruwen, een geslepen diamant; diamant klooven, slijpen, zetten;
— diamantsplinter in een handvat gezet en gebruikt om glas te snijden; (timmervak) diamantkop;
— (fig.) een ongeslepen diamant, iemand met een uitstekenden zedelijken (of verstandelijken) aanleg die nog achter ruwe vormen schuilgaat; (scherts.) grove (amersfoortsche) diamantena keisteenen.