Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Week

betekenis & definitie

Het begrip week heeft 4 verschillende betekenissen:

1. week - WEEK - v. (weken), tijdsverloop van zeven dagen: bij de week werken; per week verdienen; over eene week, na verloop van zeven dagen; binnen eene week, voordat zeven dagen verloopen zijn; de goede week, de week van Paschen;
— de werkdagen, in tegenstelling met Zondag: door of in de week draagt hij eene pet; door de week ga ik nooit uit;
— weekgeld : hij heeft eene mooie week gemaakt; zij maken weken van 20 à 25 gulden;
— weekbeurt;

de week hebben; sergeant, korporaal van de week, die de weekbeurt heeft. WEEKJE, o. (-s), kleine week : nog maar een weekje.

2. week - WEEK - o. (ontl.) het weeke van den buik tusschen de ribben en de heupen.

3. week - WEEK - v. het weeken : in de week leggen, zetten, laten week worden; boonen, erwten in de week zetten; de wasch in de week zetten, het vuil ervan laten losweeken.

4. week - WEEK - bn. (-er, -st), niet hard, zacht, slap : week brood; nieuwe aardappelen zijn soms week; week vleesch hebben, slap, (ook) mollig; leer met olie week maken; zwak, broos : week ijzer; een gezwel met pappen week maken, zoodat het doorbreekt of doorgestoken kan worden;
— zwak, vertroeteld : een week gestel;
— eene weeke levenswijze, die verwijft;
— daarvan werd mij het hart week, aangedaan; hij is week van hart, teergevoelig; (ook) niet moedig, laf. WEEKHEID, v. toestand van iets dat week is; (ilg.) weekhartigheid, verwijfdheid; lafheid; gebrek aan veerkracht.