Wat is de betekenis van week?

2020
2022-08-16
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

week

Het begrip week heeft 13 verschillende betekenissen: 1) tijd van ma t/m zo of zo t/m za. periode van zeven opeenvolgende dagen die een van de 52 cycli vormt waarin een kalenderjaar wordt onderverdeeld en die begint op de dag die gebruikelijk als eerste dag van de week wordt aangeduid, vaak op maandag, of, vaak vanuit meer godsdienstige opvat...

Lees verder
2019
2022-08-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

week

week - Zelfstandignaamwoord 1. (tijdrekening), (eenheid) tijdseenheid van 7 dagen, meestal beginnend op maandag of zondag In China wordt elke week een kolencentrale gebouwd. week - Zelfstandignaamwoord 1. een week gedeelte. Het is principieel onm...

Lees verder
2018
2022-08-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

week

week - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. zacht en slap ♢ door de vorst is het plastic week geworden 1. in de week zetten [in het water zetten om schoon te laten worden] ...

Lees verder
2017
2022-08-16
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

week

Een week is een periode van zeven dagen. In Wizwijs leren de leerlingen in groep 3 al het begrip 'week', bij het onderdeel kalender in het domein 'Meten en meetkunde. In groep 6 leren ze de week als onderdeel van een jaar.

1998
2022-08-16
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Week

de (vuile) - hebben, eufemistische uitdr. voor ‘menstruatie hebben’. Het WNT citeert Boekenoogen, Joos 1900 en Keyser 1951. Vgl. Duits stille V/oche. Zie ook opoe (op bezoek hebben).

1997
2022-08-16
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

week

In de 17de eeuw werd de formule bij Gods Heilige Week vaak verbasterd tot gans weken en werd het een uitroep. Ook is aangetroffen in de vertaling van de werken van Rabelais [1682] gants ellef weeken. In ellef hoeven wij niet per se een verbastering van heilig te zien. Telwoorden worden ook regelmatig gebruikt als...

Lees verder
1952
2022-08-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Week

1. s., wike; per —, wyks; gedurende die —, dy wyks; volgende —, (yn) nije wike; voor enige weken, (h)okkerwyks; gewoonlijk gedurende de —, troch ’en troch de wike; per — in dienst zijn, by de wike wêze. 2. s.; (het weken), weak; in de — zetten...

Lees verder
1951
2022-08-16
Engels

Woordenboek Engels (1951)

week

week; this day (to-day) week, 1. vandaag over een week; 2. acht dagen geleden; a week of Sundays, 1. zeven weken; 2. een hele tijd.

1937
2022-08-16
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

week

I. 1 bn.; weker, weekst (zacht, het tegenovergestelde v. hard): week als boter; het weke was, slap; fig. een week hart, teergevoelig; een week gestel, gevoelig; 2 o. (weke kant of zijde, week gedeelte): het week van een brood, van pluche; 3 v. (het weken): stokvis in de week zetten. II. v. weken (tijdperk v. zeven dagen): G o e d e W e e k; de...

Lees verder
1933
2022-08-16
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Week

tijdruimte v. 7 dagen, welke indeeling reeds b/d Babyloniers in gebruik was.

1933
2022-08-16
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Week

is een tijdruimte, die kleiner is dan een maand en een steeds even groot aantal dagen omvat. Zij is niet een indeeling van maand of jaar, maar een kunstmatige indeeling van den tijd, die van de eene maand in de andere grijpt en van het eene jaar in het andere. De dagen hebben daarbij eigen namen of worden onafhankelijk van iedere andere tijdsindeel...

Lees verder
1916
2022-08-16
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Week

Week wordt een vast lichaam genoemd, dat door betrekkelijk kleine krachten vormveranderingen, met name blijvende, ondergaat. In dien zin wordt b.v. gesproken van w. ijzer. Tegenover w. staat hard.

1898
2022-08-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Week

Het begrip week heeft 4 verschillende betekenissen: 1. week - WEEK - v. (weken), tijdsverloop van zeven dagen: bij de week werken; per week verdienen; over eene week, na verloop van zeven dagen; binnen eene week, voordat zeven dagen verloopen zijn; de goede week, de week van Paschen; — de werkdagen, in tegenstelling met Zondag: door of in de...

Lees verder
1898
2022-08-16
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Week

zie Zacht.