Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZONDAG

betekenis & definitie

ZONDAG, m. (-en), eerste dag der week, dag des Heeren : den Zondag vieren, in eere houden; wij houden met Hemelvaartsdag Zondag, wij beschouwen dien dag als Zondag en doen dan het gewone werk niet;

— des Zondags, op Zondag;
— hij is op een Zondag geboren, hij is een gelukskind;
— een hoofdstuk van den Heidelbergschen catechismus dat gewoonlijk op Zondagnamiddag in de kerk wordt behandeld. ZONDAGJE, o. (-s).