Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Stemming

betekenis & definitie

Stemming - v. (-en), (muz.) de toonhoogte van een instrument of die van een orkest, welke niet overal gelijk of met elkander overeenkomende is ; (ook) de staat van zuiverheid of onzuiverheid der tonen, hetzij op zichzelven of onderling van een instrument;

— gemoedsgesteldheid : in eene vroolijke stemming zijn;
— stemming tegen, voor iets maken, vooringenomenheid tegen, voor iets doen ontstaan;
— (handel) de stemming was kalm, stil, flauw, vast, prijshoudend, traag, redelijk, afbrokkelend, lusteloos, de vraag, de verkoop, de prijs;
— het stemmen, het uitbrengen van zijn stem vóór of tegen iem. of iets : de stemming bijwonen; hij heeft in die vergadering recht van stemming.