Wat is de betekenis van Lusteloos?

2019
2022-08-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lusteloos

lusteloos - Bijvoeglijk naamwoord 1. zonder energie, fut om iets te ondernemen lusteloos - Bijwoord 1. een gebrek aan lust of energie tonend Woordherkomst afgeleid van lust (stam van het werkwoord lusten) met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e- Verwante begrippen lethargisch, lijzig, loom, lui,...

Lees verder
2018
2022-08-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

lusteloos

lusteloos - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: lus-te-loos 1. met weinig energie en kracht ♢ het zieke kind hangt lusteloos op de bank 1. de markt is lusteloos [er is weinig handel] ...

Lees verder
2017
2022-08-16
Beursspeculanten

Jargon & Slang van Beursspeculanten

Lusteloos

Lusteloos - handel die weinig om het lijf heeft, slap(pe markt). Vgl. kleurloze handel.

1973
2022-08-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

lusteloos

bn. (-lozer, -t), 1. zonder lust, ongeneigd om bezig te zijn of iets te ondernemen, zonder fut: lusteloos in een stoel liggen ; (fig.) de markt is lusteloos, slap; 2. neerslachtig: er lusteloos bij zitten.

Lees verder
1952
2022-08-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Lusteloos

adj. & adv., sleau, hingerich, maf(fich), louwich, modzich, mudzich, pypkelsiik; — zijn, hingje en wierje tusken hingjen en wierjen wêze; ietwat —, net rjocht lustich.

1950
2022-08-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Lusteloos

bn. (...lozer, -t), 1. zonder lust, ongeneigd om bezig te zijn of iets te ondernemen, zonder fut: lusteloos in een stoel liggen; — (fig.) de markt is lusteloos, slap ; 2. onvatbaar voor vermaak, verdrietig, neerslachtig: er lusteloos bij zitten.

Lees verder
1937
2022-08-16
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

lusteloos

lustelozer, lusteloost of meest lusteloos: I. bn.: 1. zonder geneigdheid om bezig te zijn, of iets te ondernemen; zonder energie: de zieke werd met de dag lustelozer; in een lusteloze houding uitgestrekt; 2. van de handel: niet willig: de markt was lusteloos; II. bw.; met gebrek aan lust of energie: lusteloos zijn werk doen.

Lees verder
1910
2022-08-16
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Lusteloos

Lusteloos - heet de markt, wanneer de affaires niet dan met moeite tot stand komen, omdat de koopers niet geneigd zijn, om aan de eischen der verkoopers grif toe te geven.

1898
2022-08-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Lusteloos

Lusteloos bn. (...loozer, -t), zonder lust, ongevoelig, onvatbaar voor vermaak; — (fig) de markt is lusteloos, er gaat weinig om, de markt is slap; — verdrietig, neerslachtig: er lusteloos bij zitten; — log, zwaar. LUSTELOOSHEID.

Lees verder