Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Orkest

betekenis & definitie

Orkest o. (-en), (in Grieksche schouwburgen) dansplaats, waar tooneelspelers dansen uitvoerden;

— speel- en zangplaats der toonkunstenaars in concerten balzalen en in den schouwburg; gezamenlijke muzikanten, die ’t orkest bezetten: strijkorkest, van strijk- en blaasinstrumenten; harmonie-orkest, van enkel blaasinstrumenten; symphonie-orkest; philharmonisch orkest;
— (ook) de naam van eenige rijen banken voor toeschouwers tusschen ’t orkest en ‘t parterre.